Hier vind je de frontartikels van het parochieblad.
Wil je het parochieblad met info van de Gabriëlparochie volledig lezen dan kan je je abonneren via www.otheo.be.
Frontartikel week 4
Eén van Geest
Jaarlijks vindt in januari de Gebedsweek voor de eenheid van de christenen plaats. Dit jaar is dit van 18 tot 25 januari. Het thema luidt dit jaar “Een van Geest”. De gebedsteksten voor deze week zijn opgemaakt door christenen uit de Armeense Kerk.
Armeense Kerk
De Armeense Kerk is een van de oudste kerken ter wereld. Reeds in de eerste eeuw werd er het evangelie gebracht en is er een christelijke kerk ontstaan. Zij staat vandaag bekend om een aantal eeuwenoude kloosters. 90% van de inwoners van het land zijn christen, een ongezien aantal voor een land in het Midden-Oosten. Het Armeense volk is nochtans zeer vervolgd. In 1915-1916 werden zij uit Turkije verdreven, waarbij ze het slachtoffer werden van een genocide. Anderhalf miljoen Armeniërs werden omgebracht. Veel Armeniërs zijn sindsdien uitgeweken naar andere landen, als Libanon, Syrië, Frankrijk en de Verenigde Staten.
Voorstel
In ons bisdom is er een oecumenische gebedsdienst op 18 januari om 17.00 uur in de kerk op het Sint-Pietersplein in Gent. Wellicht nemen maar weinig mensen uit ons dekenaat daaraan deel. Wat wij kunnen doen, en wat wij hier voorstellen, is een bezinning houden over het thema van de gebedsweek. Dit is ontleend aan de brief van Paulus aan de christenen van Efeze, hoofdstuk 4, vers 1 tot 3.
Efeze 4,1-3
De tekst begint als volgt: “Ik, de gevangene in de Heer, ik vermaan u een leven te leiden, waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt.”
Het belangrijkste woord in deze zin is het woord ‘roeping’. Het gaat hier niet om een specifieke roeping, zoals de roeping tot het priesterschap of de roeping tot het huwelijk. Het gaat om de roeping die alle christenen gemeen hebben, en die zij in het doopsel ontvangen hebben, de roeping namelijk bij Christus te behoren en te leven in zijn geest.
Roeping
In dit woordje ‘roeping’ klinkt wel de echo mee van Jezus’ roep tot de eerste leerlingen. Wij kennen die uit het evangelie. Lopend langs het meer van Galilea zag Jezus Petrus en Andreas, en nadien ook Jakobus en Johannes. Hij riep hen en zij gingen met Hem mee. Leerling-zijn van Jezus begint bij een roeping. Dit is belangrijk, het is een roeping die niet eenmaal plaats vindt, maar die het leven lang blijft. Christen-zijn is antwoorden op die roeping, zowel in onze overtuigingen als in ons handelen.
Zo is het voor de gelovige in de Katholieke Kerk, maar evenzeer voor de christen in de Orthodoxe, de Anglicaanse of de Protestantse Kerk, als voor de gelovigen die in kleinere groepen, los van de grote kerken, op zichzelf proberen aan het evangelie gestalte te geven. Deze roeping van Godswege is wat allen verbindt. Zij is de basis van de eenheid die zij met elkaar hebben. Elke christen, van welke kerk ook, zou dit geheim moeten overdenken: God kent mij, Hij kent mij persoonlijk, Hij wacht op mijn antwoord. Door mijn wijze van leven geef ik antwoord op zijn roeping. Daarom schrijft Paulus in zijn brief: “Leid een leven, de roeping waardig waarmee gij geroepen zijt”.
Meer concreet
Deze aanmaning klinkt nogal algemeen. Hoe ziet een leven, deze roeping waardig, er dan concreet uit? Paulus voorvoelde blijkbaar deze opwerping en voegde daarom aan zijn beginzin vier kenmerken toe, die dergelijk leven concreter voorstellen: “Leid een leven (…) in alle deemoed en zachtheid, in grootmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend.”
Het eerste kenmerk is deemoed. Met deemoed bedoelt Paulus meer dan een zekere bescheidenheid. In een andere brief gebruikt hij het woord om de gezindheid van de Heer Jezus te verwoorden. Hij was Godgelijk maar Hij verlaagde zich door een mens te worden, ja een slaaf te worden, gehoorzaam tot aan het kruis. Dat was zijn deemoed. Deemoed is de houding van Christus die naar mij afdaalt, die mij liefheeft, die voor mij lijdt, die voor mij gestorven is. Als wij naar onszelf kijken in zijn licht, zien wij onze grootheid, namelijk ons door Hem bemind-zijn, maar evenzeer onze geringheid. Zij belet ons ons te verheffen boven anderen, en helpt ons ons als dienaren te gedragen.
Het tweede kenmerk is zachtheid. Het woord staat ook in de Zaligsprekingen: “Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.” Zachtmoedigheid is de kracht geen geweld te gebruiken, en alleen door geduld en goedheid tot overeenkomst te komen. Jezus zei van zichzelf: “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.” Hem navolgen in zachtheid is op Hem gelijken.
Het derde kenmerk is grootmoedigheid. Grootmoedigheid is de bereidheid geen minimalist te zijn, die alleen het absoluut noodzakelijke wil doen. Onszelf geven met alles wat wij kunnen geven, is concreet in de geest van Jezus leven.
Het vierde kenmerk is liefdevol elkaar verdragen. Dit laat zich vanzelf verstaan. Het is een dagelijkse opgave anderen in hun anders-zijn te aanvaarden en zo waarlijk lief te hebben.
Deze vier deugden nastreven is van ons leven een waardig antwoord maken op de roeping die wij gekregen hebben, is leven in de geest van Jezus. Heel zijn vermaning kan Paulus dan ook samenvatten in één zin: “Beijver u de eenheid in de geest te behouden.” Zo vermaant ons nu ook de Gebedsweek voor de eenheid van de christenen, zoals zij is uitgegaan van onze broeders en zusters in de Armeense Kerk.
Jos Verstraeten
Frontartikel week 3
Hoe diep is ‘diepgelovig’?
Hoe diep moeten we graven om ‘diepgelovig’ te zijn? Hebben we daar een grondboor en een spade voor nodig? Of moeten we zoals een archeoloog laag na laag afschrapen om uiteindelijk ergens zeer diep iets te vinden dat ons intens gelovig maakt? Wat betekent eigenlijk ‘diepgelovig?’
Zou je in plaats van ‘diepgelovig’ ook ‘hooggelovig’ kunnen zijn? Dat laatste zou voor ons christenen toch niet zo onlogisch zijn vermits christenen steeds hoopvol kijken naar iets dat hoger is dan de mens zelf. Of zit het geloof dan toch ergens diep verborgen? Nochtans werden de christenen tweeduizend jaar geleden al opgeroepen om het geloof luid te gaan verkondigen, zoals de apostelen deden met Pinksteren!
In hartje Gent, naast de kathedraal, staat het mooi gerenoveerde Sint-Baafshuis. Op de historische binnenplaats, te bereiken door de grote poort van het nieuwbouwdeel, is een publieke tuin gecreëerd waar je tijdens de dag even kan verpozen op één van de vele bankjes. Een verademing in het centrum van Gent. In dat Sint-Baafshuis is er een school gehuisvest voor ‘geloofsverdieping’. Hoe diep zouden ze daar graven om het geloof te vinden?
We zijn nu twee weken ver in 2026. Het kerkelijk of liturgisch jaar daarentegen is bijna acht weken ver! Dat kerkelijk jaar is weliswaar boeiend, gebouwd op een lange traditie en geregeld onvoorspelbaar, maar het blijft een universum op zich. Het begint ongeveer eind november, vier weken voor Kerstmis, wanneer we ons voorbereiden op de komst van Jezus.
En dan kunnen we er niet genoeg van krijgen. Jezus mag dan wel geboren zijn in een afgelegen stal in Palestina, het duurde niet lang vooraleer een engel de eerste bezoekers alarmeerde dat er iets uitzonderlijk gebeurd was. Twee weken later stonden de Drie Koningen aan de kribbe. We noemen dat de Openbaring of Epifanie. Jezus wordt aan de wereld getoond. Enkele dagen later vieren we echter het doopsel van Jezus als volwassen man om dan op twee februari, met Lichtmis, terug naar Jezus als pasgeborene te gaan wanneer hij werd opgedragen in de tempel zoals de joodse wet het voorschreef.
Wat is de oorsprong en de betekenis van al deze kerkelijke feesten? Waarom volgen ze elkaar in die volgorde op? De antwoorden daarop zouden we op school moeten geleerd hebben of soms meegekregen hebben wanneer we in de misviering goed luisteren naar de lezingen en de preek. Men noemt dat de religieuze geletterdheid.
Indien we de religieuze traditie leren begrijpen, de bijbel kunnen uitleggen en weten hoe de liturgie in elkaar steekt, zijn we dan diepgelovig of zijn we dan wat ze vroeger een ‘schriftgeleerde’ noemden? Moeten we die zeer oude bijbelteksten ‘juist’ kunnen interpreteren om gelovig te zijn? Inzicht krijgen in deze materie helpt zeker om in de eeuwenlange, historisch opgebouwde geloofstraditie het kaf van het koren te scheiden, maar worden we daar geloviger door? Is voor velen onder ons het geloof niet een gewoonte of een automatisme geworden? Is geloven niet dikwijls verbonden met de cultuur waarin men opgegroeid is of heeft het iets te maken met onze identiteit tegenover andere culturen en geloofsvisies?
‘Geloven’ is sowieso een zeer beladen woord met een groot connotatiegehalte. Dat wil zeggen dat dit woord naast de objectieve betekenis heel wat gevoelens kan oproepen. Iemand die zegt gelovig te zijn, kan bij anderen zowel spot als jubel oproepen en alles wat daartussen ligt. Maar noch spot, noch jubel zijn hier op hun plaats. Het is alsof we vergeten zijn hoe eenvoudig het geloof eigenlijk is?
De kern van het christendom en vele andere religies moeten we niet ver zoeken. Volgens Mgr. dr. Gerard de Korte, bisschop van ’s-Hertogenbosch in Nederland, zit de kern van het christendom vervat in twee eenvoudige zinnen die we al eeuwen kennen: ‘Bovenal bemin één God en bemin uw naaste als uzelf.’ Die twee, misschien voor sommigen reeds versteende zinnen, betekenen dat we geloven in een bovennatuurlijke God waar we naar uitkijken tijdens ons leven en die we hoopvol verwachten na onze aardse dood. En tevens dat we onze medemens behandelen zoals Jezus ons dat door zijn handelen heeft getoond.
Eenvoudiger kan het niet en toch is ons menselijk verstand zo opgebouwd dat we steeds meer willen weten. Voortdurend vragen we ons af hoe alles in elkaar zit. We maken ons voorstellingen over hoe die bovennatuurlijke God eruit ziet. We vragen ons af of God zich moeit met het leven op aarde. We vragen ons af of we met God in contact kunnen komen en of we er gunsten van kunnen krijgen! Over al die vragen zijn al hele bibliotheken volgeschreven. Kunstenaars proberen de goddelijke werkelijkheid uit te beelden in verhalen en in beeldende kunst. Als mens hebben we al die interpretaties, verhalen en beelden sowieso nodig omdat ze onze geest en ons gemoed voeden. We willen dat steeds met lichte variaties herhalen. Maar in principe komt het steeds op die twee eenvoudige zinnen neer en hoe overtuigd we daarvan zijn.
We vormen gemeenschap om deze overtuiging samen te uiten. We hebben daar een Kerk voor met gewijde (en tot hier toe nog uitsluitend mannelijke) ambten om voor te gaan: diakens, priesters en bisschoppen. Kerstmis en Pasen zijn de twee feesten die het mysterie het meest plastisch uitbeelden en dichtbij brengen. Maar de kern blijft de eenvoud zelve. Die twee zinnen geven een antwoord op wat onze uiteindelijke bestemming is en zijn een leidraad voor een humaan en medemenselijk leven. Diep moet je daarvoor niet graven.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 1 (2026)
Het jaar 2026
Gedaan met hopen?
Beste medemensen,
Wij zijn alweer een nieuw jaar begonnen, het jaar 2026. Daarmee kwam ook een eind aan 2025, wat voor ons christenen een bijzonder jaar was, namelijk een jubeljaar. Een jaar lang werden we uitgenodigd en uitgedaagd om pelgrims van hoop te zijn.
Vanuit de kathedraal in Gent werd ons eind 2024 een anker aangeboden, met de uitnodiging met dit anker van hoop ook verhalen van hoop te schrijven, letterlijk en figuurlijk.
Dit anker doorkruiste ons dekenaat en kwam in de verschillende parochies en op verschillende plaatsen. Het anker bezocht woonzorgcentra, het ging met de leerlingen van enkele scholen op inleefdagen, het was aanwezig op belangrijke gebeurtenissen op de parochie of in een bepaalde kerkplek. Ons anker ging ook mee op catecheseweekend en op bedevaart, ja, het heeft zeker zijn weg afgelegd door ons dekenaat. Naast de estafette van hoop, want zo heette de tocht van ons anker, waren er ook enkele andere hoogtepunten in het jubeljaar.
Op 20 september was er in Oostakker het feest van de hoop. Uit alle hoeken van ons bisdom stroomden mensen samen om te feesten en het heeft de aanwezigen echt veel deugd gedaan.
Een mooie groep (120), waaronder ook 6 mensen uit ons dekenaat, gingen in oktober mee met de bedevaart van het bisdom naar Rome, wat voor de deelnemers een rijke en zinvolle, hoopvolle ervaring was.
En nu zijn we een nieuw jaar begonnen. Het jaar van de hoop ligt achter ons. Maar hopelijk blijft de hoop in ons leven, want zonder hoop kunnen we niet verder. De hoop die wij vorige jaar uitspraken bij het begin van het jubeljaar kunnen wij eigenlijk ook voor dit jaar weer uitspreken, want het blijft onze diepste wens.
Ook voor 2026 hopen we op geluk voor onze medemensen
Ieder mensenleven is een zoektocht naar geluk. We hopen dat zo veel mogelijk mensen dit geluk mogen ervaren, op welk vlak dan ook. Geluk gaat gepaard met een gevoel van tevredenheid, van vaak ook dankbaarheid. En er zijn God zij dank nog altijd heel wat zaken waar we tevreden mogen over zijn. Wij hopen voor al onze medemensen dat ze in hun persoonlijke leven gespaard mogen blijven van grote problemen of tegenslagen. Als jullie toch met lijden worden geconfronteerd, wat vaak onvermijdelijk is, hopen we dat jullie de kracht en de moed mogen vinden om elkaar verder te dragen, dat er mensen op jullie levensweg mogen staan die jullie steunen en bemoedigen, en dat wij als gelovigen ook wat kracht en moed mogen vinden bij God.
Ook voor 2026 hopen we op vrede in de wereld. Het zoeken naar vrede is een moeilijke en moeizame opdracht, een blijvende opdracht voor alle generaties en alle tijden. Jammer genoeg gaat er geen dag voorbij of we horen en zien nieuws over rellen, aanslagen, oorlog en geweld.
Er zal nog veel water naar de zee vloeien vooraleer Gods droom, opgetekend in de profeet Jesaja, door ons, mensen, zal verwezenlijkt zijn. Zij smeden hun wapens om tot ploegijzers en hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander. En niemand zal hen nog leren oorlog voeren.
Ook in 2026 hopen we op vreugde in onze geloofsgemeenschap. Ook in het nieuwe jaar willen we proberen op een aangepaste, eigentijdse manier parochie te vormen. En ook hier staan we nog altijd voor enkele grote uitdagingen. We hopen dat deze uitdagingen ons er niet van weerhouden om de vreugde van het evangelie te ervaren. De grote uitdaging voor de kerk van vandaag en morgen is de vreugde van het evangelie laten proeven aan onze trouwe parochianen, maar ook aan nieuwkomers, aan zoekende mensen, aan zij die toevallig met ons in contact komen. We kunnen deze vreugde maar laten proeven als we ze zelf zo veel mogelijk uitstralen en als onze samenkomsten vreugdevolle ontmoetingen zijn.
Beste medemensen,
bij het begin van dit nieuwe jaar willen wij oprecht en welgemeend alle mensen bedanken die zich, op welke wijze ook, als vrijgestelde of als vrijwilliger, blijven inzetten voor de uitbouw en de opbouw van onze geloofsgemeenschap. Wij kunnen en mogen nog altijd blijven rekenen op de inzet van velen, voor of achter de schermen, helpende handen bij de liturgie ( lectoren, koren, cantors, misdienaars, kosters, communiedelers, onthaalploegen), de diaconie, de verkondiging en de gemeenschapsopbouw, mee-denkers en mee-doeners in parochieploegen, kerkraden, VZW’ s, werkgroepen, catechese, op het secretariaat, als klusjesman of bij het onderhoud, eigenlijk te veel om op te noemen. Wij vinden het echt fijn dat wij op jullie kunnen rekenen, ook doorheen de veranderingen die we meemaken, wat niet voor iedereen eenvoudig is.
Laat ons dan, ook in het nieuwe jaar pelgrims van hoop blijven, vrouwen en mannen die samen bouwen aan een levendige geloofsgemeenschap, want de hoop verdwijnt niet met het jubeljaar, ze blijft onze inspiratie en leidraad, samen met het geloof en de liefde.
Aan allen een zalig en gelukkig nieuwjaar, en moge het ons allen goed gaan in het nieuwe jaar!
(Yvan Stassijns)
Frontartikel week 50
“De Jezusknaap”
We zijn in de advent en we kijken uit naar de geboorte van Jezus. Hoe we ons die geboorte moeten voorstellen, is een andere vraag. Een bovennatuurlijke God die een aardse mens wordt! Het hemelse dat letterlijk inbreekt in het aardse. Dat is een formidabele gebeurtenis die we met ons menselijk verstand niet kunnen vatten. Het is een mysterie, maar tevens het fundament van ons geloof en onze hoop op een eeuwig leven dat met de verrijzenis volop tot uiting komt.
Er zijn veel theologen, mystici, kunstenaars en schrijvers die al eeuwenlang proberen om dat mysterie van het geloof, die menswording, vorm te geven. Ze trachten dat concreet voor te stellen, maar ze slagen er nooit volledig in. Toch blijven ze voortdurend zoeken om die wonderbaarlijke gebeurtenis weer te geven. Een van die zoekers was Stijn Streuvels. In zijn kerstverhalen probeerde hij telkens een glimp van de openbaring van dat goddelijke weer te geven. Hij evoceerde het bijzondere effect dat de geboorte van Jezus op mensen kon hebben.
In zijn verhaal ‘Een kerstvertelsel’ uit 1929 is Maantje Vincke de held van het spel. Het is een jongen die opgroeit in wat we nu een problematische gezinssituatie zouden noemen, maar dat toen voor Maantje de vrijheid betekende. Hij liep er altijd slonzig bij, moest af en toe op zoek naar eten, maar hij was een leidersfiguur waar alle kinderen naar opkeken. Wanneer Maantje een idee had, verzamelde hij de troepen.
Het was in de advent en Maantje had het plan opgevat om op een bijzondere wijze kerstavond te vieren. Ze zouden in de stal van boer Verhoeven, die altijd sliep en ‘moordoof’ was en in wiens stal toch al een os en een ezel stonden, alle kinderen verzamelen en het kerstgebeuren tot leven brengen. De meisjes mochten eerst niet meedoen, maar ja, Maantje realiseerde zich dat kerstmis zonder Maria ook niet zou gaan.
De stal werd versierd met linten, lantarens, papieren bloemen, gevlochten kransen, een lege kribbe en natuurlijk een os en een ezel die er wel niets van begrepen, maar goelijk hun kop draaiden. In de vooravond toen het al donker was, verzamelden alle kinderen in de stal. Maantje had het allemaal goed geregisseerd. Zijn makkers kenden hun rol en Maantje duidde voor iedereen de plaatsen aan. En toen ze daar allemaal zaten, viel er een plechtige stilte. Uit de grote open kinderogen kon je de vraag aflezen, en wat nu? Wat gaat er nu gebeuren? Het was alsof ze verwachtten dat er in die lege kribbe iets ging verschijnen. Maar er gebeurde niets. En Maantje kreeg het benauwd. Hij had al die kinderen wel verzameld, maar hij wist eigenlijk ook niet hoe het nu verder moest.
En toen, zonder dat iemand dat verwachtte, gebeurde het wonder. Er kwam een kleine jongen uit de bende naar voren die voor de lege kribbe ging staan. Geen van allen kende die jongen. Hij was wel gekleed zoals zij, had een stekelige witte haarbos en hij zag er tamelijk ‘schavuitig’ uit. Door de kaarsen en de lantarens werd zijn gezicht opgelicht en zonder te aarzelen begon hij te vertellen alsof het ‘een lopend waterke was’, over wat er op kerstnacht en daarna allemaal gebeurd was. Zonder aarzelen vertelde hij een reeks verbeeldingen uit Jezus’ jeugd, waarvan we de herkomst niet kunnen achterhalen, maar waar de kinderen reikhalzend naar luisterden.
En hij vertelde over de kleine Jezus, die thuis op straat speelde en uit klei vogels maakte tot er een jood was die tegen Jozef zei dat zijn zoontje de ‘zondag’ ontheiligde door te werken in de klei, waarop Jezus met de handen klapte en de kleivogels als levende dieren wegvlogen. En over Jezus die met zijn vriendjes boven op het platte dak van hun huis in Nazaret speelde. Tijdens het spel viel één van de jongens naar beneden en bleef voor dood liggen. De ouders van die jongen beschuldigden Jezus dat hij hem van het dak gestoten had en bedreigden hem. Maar Jezus ging naar beneden en zei: ‘sta op en zeg mij, heb ik u van het dak gestoten?’ De jongen sprong levend en wel op en antwoordde: ‘Neen, Jezus, gij hebt mij er niet afgestoten, maar mij opgewekt,’ waarop iedereen zich ter aarde wierp en Jezus dankte voor het mirakel.
Na nog vele wonderbaarlijke verhalen zweeg de jongen. Het vertelsel was uit. In de stal bleef alles stil. Alsof er een echt wonder gebeurd was. En de jongen deed de kinderen als vanzelf uiteengaan om plaats voor hem te maken en hij was op weg de stal te verlaten. Maar Maantje had het door. Die jongen mocht niet verdwijnen en hij nam hem bij de arm. Maantje had de stellige zekerheid dat die jongen de “Jezusknaap” in persoon was. En toch ontsnapte hij in de menigte en verdween.
Streuvels was gefascineerd door het kerstgebeuren. Hij beschreef hoe kerstmis met ‘leute en plezier’ gevierd werd net zoals hij in dit verhaal de weken voorbereiding en het aankleden van de stal van boer Verhoeven beschreef. Maar dan gaat Streuvels telkens en bijna ongemerkt naar de essentie van het kerstgebeuren, de menswording van God. Hij laat die kinderen als toeschouwers een bijna spirituele ervaring ondergaan, maar vooral bij de regisseur, Maantje Vincke, gebeurt er een openbaring van het goddelijke. Voor Maantje was die jongen die zo betoverend vertelde, de “Jezusknaap” zelf, die over zijn eigen leven had verteld.
Kerstmis had iets teweeggebracht dat buiten de kinderen niemand gezien had. Zij hadden een glimp van het goddelijke ervaren en het was alsof Maantje, net zoals Paulus tweeduizend jaar geleden, op de grond geworpen werd. De kerstverhalen van Streuvels reiken altijd naar iets hoger. Maantje was tot het inzicht gekomen dat hij met Jezus in contact geweest was, ook al werd hij bij het krieken van de dag door boer Verhoeven onzacht uit de stal gejaagd.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 47 - 48
Ode aan het ouder worden
We schrijven 25 oktober, de dagen worden korter, eergisteren raasde storm Benjamin voorbij en vandaag is de herfstvakantie begonnen. Volgende week begint de maand november en herdenken we onze dierbaren. In deze maand is er van 17 tot 23 november de week van de
derde leeftijd. En ook al is vandaag zonder te beseffen de herfstvakantie begonnen, zo behoor ik ook zonder het te beseffen tot de groep van de derde leeftijd… onvoorstelbaar. Dus maak ik op een druilerige dag als vandaag tijd om stil te staan bij deze week van de derde leeftijd, waarin ouderen centraal staan!
Er was een tijd dat mensen boven de pensioenleeftijd ’ouden van dagen’ werden genoemd. Maar dit klonk heel onvriendelijk, nochtans zei het woord heel duidelijk waarop het stond. Het betekent dat je al heel wat dagen op de teller hebt staan. Ik word op zes november drieënzestig, dat betekent dat ik er dan 22.995 dagen, zonder de schrikkeldagen, heb opzitten. Ik neem het sommigen onder jullie niet kwalijk hoor als jullie de berekening niet gaan maken! Maar het kan tellen en eigenlijk is de term ‘ouden van dagen’ niet zo slecht bedoeld. Maar alles moet mee evolueren, dus sprak men daarna van bejaarden, nog later van senioren, nog later werd het zestigplussers en nog later werd het de derde leeftijd, van een evolutie gesproken. Zo zie je maar dat om naar de doelgroep van ouderen te verwijzen de afgelopen jaren heel wat termen en woorden werden gebruikt.
Gelukkig horen we nu geen negatieve termen meer zoals ‘grijsaards’, ‘oude knarren’, ‘ouden van dagen’, ‘ouderlingen’, ‘bejaarden’, … Het is immers heel duidelijk dat anno 2025 de termen ‘jong’ en ‘oud’ een hele evolutie hebben meegemaakt. Als je doorheen tijdschriften bladert lijkt het wel dat ze ons willen laten geloven dat 60 het nieuwe 40 is. Vroeger werd je oud vanaf je zestigste maar vandaag lijkt het er meer en meer op dat je dan in de bloei van je leven bent, zeker als je een goede gezondheid hebt. Zestigplussers die deelnemen aan expedities of zeventigplussers, die computerspelletjes spelen met hun kleinkinderen, zijn geen uitzonderingen meer. Beelden van actieve ouderen in dienstencentra en verenigingen, leesoma’s, fietsende zestigplussers, we kennen ze allemaal. En al een geluk dat sommige termen voor ouderen een verfrissingsbad hebben ondergaan, want wie wil er als zestigplusser nog een bejaarde of oudje worden genoemd, laat staan zich zo voelen? Laat ons de derde leeftijd zien als een dessert van het leven, een toetje waar we reikhalzend naar uitkijken en dat ons blij maakt.
Oud worden, iedereen van ons wil dat wel want het is een beter alternatief dan jong sterven. En ook al beleven velen onder jullie nu een schone oude dag, toch gaat ouder worden ook gepaard met moeilijkheden. Door een week van de derde leeftijd te vieren willen we niet doen alsof ouderen alleen rozengeur en mannenschijn kennen. Anderzijds is het ook niet alleen kommer en kwel. Zoals bij iedere leeftijd zijn er goede en minder goede kanten. Ouder worden is een proces, dat bij het leven hoort en we beginnen er eigenlijk heel vroeg aan. Het is iets van elke dag en het start al van bij onze geboorte. Het is ook een proces, waar we ons hele leven mee bezig zijn en waaraan niemand kan ontsnappen. Ouder worden we immers elke dag een beetje, fijn dat het per dag gaat, dat helpt bij het wennen. Als we jong zijn willen we ouder worden, nu we ouder zijn hebben we minder haast. Hoe dikwijls stellen we aan jonge ouders niet de vraag ‘hoe oud is jullie kleine’, het is een vraag die bij het leven hoort. Heel anders wordt het als ons de vraag gesteld wordt ‘hoe oud denk je dat ik ben?’, ik
vind dat één van de lastigste vragen, sommigen denken immers dat ze eeuwig jong zijn en blijven… plak daar dan maar eens het juiste cijfer op…Want hoe graag sommigen er ook aan willen ontkomen, we komen in de herfst van ons leven, plots behoren we tot de groep van
gepensioneerden, die met de bus koekjesfabrieken gaan bezoeken. We worden ons plots ook bewust van het naderende einde, want ouder worden gaat gepaard met verlies. Niet plezant maar het is zo.
De term ‘derde leeftijd’ wordt immers gebruikt om de laatste levensfase van senioren aan te duiden, en hoe actief velen onder ons ook zijn de klok tikt onverbiddelijk verder, zonder het te beseffen vliegen de jaren voorbij. Dankzij de gezondheidszorg duurt de levensfase langer dan vroeger, velen onder jullie zijn gezegend met kleinkinderen maar ook achterkleinkinderen, en we krijgen ook de kans ervan te genieten. Hoe anders was dat amper een eeuw geleden, toen werkten heel wat mensen tot ze erbij neervielen. Nu kan iedereen die dichtbij de fase van de derde leeftijd is naar een mooie nieuwe levensfase uitkijken, naar het lekkere dessert. Naar een levensfase waar ruimte is voor veel aangename dingen. De lange levensavond is niet de winter van het leven maar de tijd waarin de oogst van het leven wordt binnengehaald.
Ons oudste kleinkind is er nu tien en dan ben je officieel een tiener. Hij kan zo dikwijls zeggen ‘opa en oma jullie zijn oud’… en inderdaad want ondanks de welvaart, een kunstgebit, een prothese tikt de klok verder… maar samen met hem omarm ik het leven en kijk ik hoopvol naar de toekomst… ik wens het jullie van harte!
Hilde Renneboog
Frontartikel week 46
Het kan ook anders !
Sinds 2015 is de encycliek Laudato Si' (Geprezen zijt Gij) van paus Franciscus het belangrijkste referentiedocument voor het werk van de Ecokerk. Paus Franciscus moedigt ons aan om een ecologische levenstijl aan te nemen en een ethiek van het genoeg te respecteren. In allerlei tijdschriften, podcasts en lezingen worden concrete tips gegeven hoe we duurzaam kunnen werken in bewegingen, organisaties, parochies, instellingen,… Respect voor het milieu en de natuur zijn van levensbelang. Dat begint meer en meer bij velen door te dringen. En goed maar.
Naar aanleiding van de Week van de Smaak, 31 oktober tot 9 november werden een aantal personen aangesproken om na te denken en om een tekstje te schrijven over hun kook- en eetgedrag. Het thema dit jaar voor de week van de Smaak was (H)eerlijk van bij ons. Met dit thema keken we niet alleen naar smaakvolle gerechten maar ook wat verder. De transparantie, de herkomst en het respect voor mens en natuur stonden daarbij centraal. Steeds meer mensen willen weten waar hun eten vandaan komt, welke weg het aflegt en welke impact het heeft op het milieu. (H)eerlijk eten is verbindend en inspirerend.
Dorien, 34 jaar:
‘Bij ons thuis sta ik meestal achter het fornuis – gewoon omdat dat het best past bij ons werkschema. We eten vooral eenvoudige, traditionele kost, zoals ik het vroeger thuis ook leerde. Gerechten die iedereen lust, zonder al te veel poespas. Pasta komt minstens wekelijks op tafel, want dat is ieders favoriet. En soep… die is er altijd. Zo zijn we zeker dat onze dochter elke dag de nodige vitaminen binnenkrijgt, terwijl ze nog volop nieuwe smaken en texturen ontdekt.
Wat we bijzonder fijn vinden, is om zelf wat groenten en fruit te kweken in onze tuin. Frambozen, aalbessen, tomaten, courgettes, pompoenen en zoete aardappelen: het smaakt dubbel zo goed als het uit eigen grond komt. Ook mijn oma heeft een grote groententuin waar we regelmatig van mogen meegenieten. Alles groeit er zonder sproeistoffen of toevoegingen – puur natuur. Die (h)eerlijkheid proef je in elk bord. Veel van wat we oogsten, verwerken of vriezen we meteen in. Zo is er altijd iets lekkers en gezonds in huis, recht van bij ons. Appels uit Zuid-Afrika of boontjes van de andere kant van de wereld worden door ons niet gekocht. Dat vinden wij onverantwoord: slecht voor het milieu en de plaatselijke economie. Lokaal aankopen of groenten zelf kweken is in ons gezinnetje heel belangrijk.’
Stefaan, 63 jaar:
‘Mijn vrouw heeft vele talenten maar die van keukenprinses is er helaas niet bij. Gelukkig kook ik graag, het ontspant me na een drukke dag, zeker als er een glas rode wijn bij komt kijken. De keuken volgt het ritme van wat in serre en moestuin staat. Nu breekt het seizoen van de kolen aan (broccoli, spitskool, savooi), in de lente is dat half maart al de eerste sla uit de serre, later de tomaten, en uit de moestuin bonen, kervel, warmoes, andijvie en alles wat de terroir voortbrengt. Nadeel: in sommige periodes eten we regelmatig hetzelfde, omdat de natuur nu eenmaal op hetzelfde ogenblik dezelfde groenten produceert.
Klassiekers als hespenrolletjes, ‘drie lagen’ (savooikool, gehakt en aardappelpuree in lagen boven elkaar) staan dikwijls op het menu. Die drie lagen zijn zowat het favoriete familierecept. De kinderen en kleinkinderen zijn er dol op. Voor mijn veggie dochter maak ik dan telkens een variant zonder vlees. Ik maak altijd één of twee porties meer zodat mijn jongste zoon die ingevroren kan meenemen naar Gent, zo eet hij een keer iets gezonder dan frieten of pitta. Er staat een hele reeks kookboeken op het aanrecht maar ik merk dat ik meer en meer op Internet intik wat in de tuin staat of in de frigo zit, en daar dan mee aan de slag ga, met variaties.’
Katrien, 37 jaar:
Eetgewoonten bij ons thuis: tussen hongerige kinderen en Jamie Oliver
Bij ons thuis geldt een simpele regel: wie de kinderen van school haalt, kookt. Tegen de tijd dat ze thuiskomen, lijken ze uitgehongerd, dus snel eten is de boodschap. Uitgebreid koken is geen optie.
Na een paar keer “ik vind dat niet lekker” op onze vroegere keuken, schakelden we over op klassiekers: spaghetti, fishsticks met spinaziepatatten of worst met appelmoes. Op drukke dagen met hobby’s worden het restjes of kant-en-klare gerechten.
We weten hoe het moet, weekmenu’s, plannen, op voorhand koken — maar in de praktijk lukt dat zelden. We koken graag, maar niet onder tijdsdruk. En eerlijk: elke dag koken kan behoorlijk sleurend zijn.
We zijn niet overdreven bezig met waar ons eten vandaan komt. In de diepvries ligt een stuk koe die is opgekweekt door vrienden, en opa Jos voorziet ons van patatten, prei en venkel uit zijn moestuin. Maar meestal trekken we gewoon naar de Colruyt. ‘Choose your battle’, zeggen we hier vaak. ’s Zomers genieten we wel van onze eetbare tuin vol tomaten, courgetten en frambozen. Een klein paradijsje waar we allemaal van smullen. En soms, als er wat tijd over is, duiken we de keuken in voor iets bijzonders. Zoals toen bij de geboorte van onze dochter Erin: zelfgemaakte koekjes, een zoete herinnering aan de tijd dat koken nog vanzelf ging. Want uiteindelijk draait het niet om perfectie, maar om samen aan tafel zitten, al is het met spaghetti in plaats van Ottolenghi.
koekjesrecept
-
340 g (spelt)bloem
-
200 g bakboter (plantaardig)
-
120 g ruwe rietsuiker
-
2 snuifjes zeezout
-
1 flesje vanille-essence
-
2 el havermelk
-
30 g kokosrasp
-
45 g amandelpoeder
-
1 el vlierbloesemsiroop (of extra melk en suiker)
-
Bak 20 minuten op 150 graden
Pascale, 50 jaar: (H)eerlijk van bij ons!
Bij dat motto denk ik meteen aan Plukboerderij Grondig in Heusden.Vanaf het prille begin zijn we niet alleen lid, maar ook grote fan. Elke week voel ik me écht rijk wanneer ik thuiskom met een zak vol kraakverse groenten, rechtstreeks van het veld. Een deel van de groenten oogsten we samen met de deelnemers, de rest mag je zelf plukken — een zalige ervaring tussen de rijen groenten, met de geur van verse aarde in de lucht. Vlees hoeft voor mij niet elke dag op het menu. Met zoveel smaakvolle, seizoensgebonden groenten van Grondig mis ik het helemaal niet!
Als ieder op zijn manier de aanmoediging van paus Franciscus in acht neemt en elk met zijn eigen mogelijkheden, met eerbied en met respect omgaat met de natuur en met wat die natuur voortbrengt, dan zijn we met z’n allen de goede weg aan het opgaan. We moeten er ons van bewust zijn dat duurzaamheid en ecologie, kortom Gods Schepping, voor ons geen dode letter mag of kan blijven.
Nicole Verstraeten
Frontartikel week 45
Na drie, negen of vijftien jaar godsdienstles
Godsdienstleerkrachten hebben het vandaag niet gemakkelijk. De Kerk, het kerkgebouw, een priester, de koster, een misdienaar, een biechtstoel, het tabernakel, een missaal, de bijbel, een parabel, het was vroeger allemaal vanzelfsprekend. Vandaag zijn dit allemaal geïsoleerde dingen die enkel in de godsdienstles voorkomen. We leven nu eenmaal in een maatschappij die door kardinaal De Kesel in zijn boek Geloof en godsdienst in een seculiere samenleving zeer goed omschreven wordt als een maatschappij waarin de godsdienst niet meer de vanzelfsprekende betekenis en plaats heeft als vroeger. Het katholicisme als de culturele religie bestaat niet meer. De band tussen een les godsdienst en de uitingen daarvan in het kerkelijk en maatschappelijk leven, is op vijftig jaar tijd grotendeels in ‘wierook’ opgegaan.
Het is een realiteit waar we mee moeten omgaan. Een kerkgebouw is een museum geworden waarin jongeren een rondleiding met gids nodig hebben. Vroeger was het natuurlijk anders. We wisten wat een missaal was, want die kregen we met onze plechtige communie; we wisten wat een biechtstoel was, want als kind moesten we geregeld onze ‘zogezegde’ zonden gaan biechten; we wisten wat een misdienaar was, want we zagen ze elke zondag in actie of we behoorden er zelf toe. Alles werd echter als vanzelfsprekend aangenomen dat men toen in de godsdienstles dikwijls vergat om de diepere betekenis ervan te bevragen.
We konden de geloofsbelijdenis, het Weesgegroet, het Onzevader en zelfs onze akte van berouw volledig van buiten, zoals de antwoorden op de vragen uit de catechismus. Dat waren geheugentrainingen op zich. Maar wat betekenden al die zinnen uit de geloofsbelijdenis eigenlijk en waarom werden die gebruikt? Wanneer je pakweg vijftig jaar geleden aan leerlingen van achttien jaar zou gevraagd hebben om de essentie van het christendom en het christelijk geloof onder woorden te brengen, we zouden versteld gestaan hebben van de povere antwoorden.
Een aantal jaren geleden is deze bevraging naar de essentie van het geloof wel gedaan, met een groep volwassenen die in de jaren vijftig en zestig op de schoolbanken zaten. Wat is voor u de essentie van het christelijk geloof? Een eenvoudig vraag die voor velen toch complex bleek te zijn. Sommigen weigerden te antwoorden, want dat was privé, anderen zochten hun heil in de moraliteit en verwezen naar het goede betrachten. Soms beriep men zich op de tien geboden. Het aspect van een transcendente God die mens werd en na zijn dood zou verrijzen en een perspectief openen op een eeuwig leven, kwam zelden aan bod.
Vandaag wordt gezegd dat de jongeren het contact met de christelijke zingeving verloren hebben. Deze vervreemding is echter moeilijk te begrijpen omdat het katholiek onderwijs in Vlaanderen nog altijd een marktaandeel van ongeveer zeventig procent heeft. Dat betekent dat zeven op de tien jongeren drie, negen of zelfs vijftien jaar lang godsdienstles krijgen. Drie jaar in de kleuterschool, zes jaar in het basis- en nog eens zes jaar daarbovenop in het secundair onderwijs. Voor de meeste gebeurt dat in scholen die zichzelf tot het katholieke net bekennen en die de christelijke zingeving in hun pedagogisch project hebben ingeschreven.
Drie, negen of vijftien jaar godsdienstles, moet toch wat teweeg kunnen brengen ook al leven we in een geseculariseerde maatschappij. Maar de Kerk zelf vertrouwt dat onderwijs blijkbaar niet. Jonge ouders die hun kind willen laten dopen, moeten in de parochie eerst een traject doorlopen. Wie kerkelijk wil huwen, moet vooraf heel wat gespreksavonden voeren. Godsdienstfilosoof Walter Van Herck wees erop dat vandaag religies de neiging hebben de criteria van lidmaatschap strenger te maken en op die manier de groeiende tweedeling van een religieuze en seculiere cultuur te vergroten. Wie een doop of een huwelijk wenst, zo besloot hij, moet zich onderwerpen aan een vormingsmoment of een cursus volgen.
Hebben die huwelijkskandidaten en jonge ouders, die meestal op katholieke scholen gezeten hebben, dan niet voldoende bagage meegekregen? Wordt het christelijk antwoord op de ultieme zinvragen dan niet meer duidelijk overgebracht? Is de bijbelvastheid of de éénduidigheid in visie bij hen die het moeten overdragen, onderhevig aan turbulentie?
De leerprogramma’s voor de rooms-katholieke godsdienst bevatten een enorme rijkdom aan inhoud. Maar men werkt daarin dikwijls thematisch of met ‘terreinen’ zoals ‘Liefde en vriendschap’, ‘Goed handelen’, ‘Omgaan met verscheidenheid’ enz. Elk van deze terreinen bevat een aantal ethische vraagstukken en nieuwe maatschappelijke fenomenen. Daarover wordt in de klas door de leerlingen gretig gediscussieerd. Het is daarna aan de leerkracht om via thematisch gekozen bijbelfragmenten of christelijke waarden de christelijke benadering binnen te brengen. Dat is niet zo eenvoudig en botst bij de leerlingen soms op weerstand of onverschilligheid. Daniël De Coen, voormalig directeur Identiteit en Kwaliteit in de Guimardstraat, opperde dat het vertrekken vanuit de bijbelteksten zelf, wellicht eenvoudiger en efficiënter zou zijn.
Religieuze geletterdheid bijbrengen op zich, kan niet zo moeilijk zijn. De boodschap, de traditie en de interpretatie die daarachter zit, uiteenzetten, is een pak gecompliceerder. Dat is namelijk het aanbieden van een christelijk zingevingmodel. Het is de verkondiging van een openbaring. Dat in zijn essentie doorgeven, wapent de jongeren om in dialoog te kunnen gaan of om zelf verder te zoeken. We leven in een tijd waarin iedereen veel mondiger geworden is. Daarom kunnen we alleen maar hopen dat jongeren van achttien jaar na vijftien jaar godsdienstles, een zinvol antwoord kunnen geven over wat de essentie van het geloof is.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 44
Allerheiligen en Allerzielen
Hoe heiligheid en herinnering ons verbinden met God en elkaar
Volgend weekend vieren we twee feesten die ons diep raken: Allerheiligen en Allerzielen. Twee dagen die samen een rijk beeld geven van ons geloof – van de hoop op heiligheid én de liefdevolle herinnering aan hen die ons zijn voorgegaan.
Heiligheid van het leven
Op Allerheiligen staan we stil bij de heiligheid van het leven. Niet alleen bij de grote heiligen die we uit de traditie kennen, maar ook bij de gewone mensen om ons heen – mensen zoals jij en ik, die met vallen en opstaan proberen te leven vanuit geloof, hoop en liefde.
Jezus’ woorden in de Zaligsprekingen klinken verrassend eenvoudig. Hij spreekt niet over rituelen of godsdienstige plichten, maar over wat we elke dag meemaken: verdriet en troost, honger naar gerechtigheid, barmhartigheid, zuiverheid van hart en vrede. Hij spreekt over een geluk dat niet afhangt van succes of rijkdom, maar van de keuze om lief te hebben – om te leven met God.
Dat is het geheim van heiligheid: het is geen onbereikbare status voor enkelingen, maar een roeping voor ons allemaal.
Heiligheid ontstaat in het gewone leven – daar waar mensen elkaar dragen, vergeven, helpen en in liefde leven. Vandaag vieren we al die mensen. Bekende heiligen, maar ook zij die niemand ooit op een altaar heeft geplaatst. Ouders, grootouders, buren, vrienden – mensen die iets van Gods liefde zichtbaar maakten in hun woorden en daden.
Dag van verbondenheid
Op Allerzielen, de dag erna, buigen we ons hart naar hen die overleden zijn. We noemen hun namen. We steken kaarsen aan. We dragen hen in gebed. Dit is geen dag van verdriet zonder hoop – het is een dag van verbondenheid. Want ook onze dierbare overledenen maken deel uit van die grote gemeenschap van heiligen. Misschien zijn zij niet heilig verklaard, maar ze leven verder in God. Hun liefde, hun geloof, hun inzet is niet vergeten. In Gods ogen is niets verloren gegaan.
Op weg naar heiligheid
Allerheiligen en Allerzielen horen dus bij elkaar. Ze herinneren ons eraan dat we deel uitmaken van een grote familie – een gemeenschap over de grenzen van tijd en dood heen. Zij die ons zijn voorgegaan, blijven met ons verbonden. En wij mogen ons leven hier en nu zo vormgeven, dat ook wij ooit mogen thuiskomen bij God.
Als we denken aan de hemel, stellen we ons er beelden bij voor – licht, vrede, eindeloos geluk. Maar we weten ook: geen enkel beeld kan de werkelijkheid van God omvatten. De Schrift spreekt over een menigte in witte gewaden, rondom het Lam – een visioen van troost, vreugde en eenheid. Mogen wij verlangen daar deel van uit te maken.
Door het dagelijks leven
Tegelijk roept Jezus ons op om met beide benen op de grond te blijven. De weg naar de heiligheid loopt door het dagelijks leven. Daar zijn mensen in nood, mensen die lijden, mensen die wachten op een woord van hoop of een gebaar van liefde. Onze roeping is niet om te ontsnappen aan de wereld, maar om haar om te vormen door liefde en gerechtigheid.
Dit is het geluk waar Jezus over spreekt. Geen oppervlakkige vreugde, maar een diepe vrede die groeit als we leven in verbondenheid met God en met elkaar. Ook als dat moeilijk is. Ook als het ons iets kost.
Laten we ons hart openen
Laten we ons hart openen voor de waarheid die Jezus ons voorhoudt. Laten we zijn liefde weerspiegelen in ons doen en laten. En laten we, geïnspireerd door de heiligen van alle tijden en verbonden met de overledenen die we missen, samen blijven wandelen op de weg van liefde, barmhartigheid en hoop.
Moge de heiligheid van God in ons allen blijven groeien, opdat we ooit samen thuiskomen in Zijn licht.
diaken Luk Thomas
pastoraalcoördinator parochie Emmaüs
De foto hebben we geplukt van
https://www.kenteringen.nl/heilige-van-de-dag/11-november/01-november/
Frontartikel week 41
Dag van de leraar - Plezier om naar school te gaan
Op 5 oktober is het de dag van de leerkracht. een dag die door UNESCO in 1994 is ingesteld om leraren in het zonnetje te zetten.
Naar aanleiding daarvan interviewden Charlotte Boterdaele, een beginnende leerkracht en Conny De Corte, een leerkracht en directeur die sinds 1 september met pensioen ging.
Wie ben je, waar woon je ? Wat zijn je hobby’s, interesse?
Ik ben Charlotte Boterdaele, 24 jaar en ik woon al heel mijn leven in Wetteren. Mijn thuis ligt in Wetteren Ten Ede en sinds een paar maanden woon ik samen met mijn vriend in het centrum van Wetteren. Ik ben actief als lid (tot vorig jaar ook hoofdleiding) bij KLJ Wetteren. Deze zomer was ik ook nog te vinden als hoofdanimator op Speelplein WESP. Ik ben dus een bezige bij! Daarnaast spreek ik graag af met mijn vrienden om samen eens een terrasje te doen of iets te gaan eten.
Wat is je studieloopbaan en waarom koos je voor het onderwijs? In welk leerjaar geef je les en wat wil je aan je kinderen meegeven?
In 2020 startte ik met mijn opleiding Orthopedagogie aan de Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen. Ik koos daar voor de afstudeerrichting Toegepaste Jeudcriminologie. Na drie jaar in Antwerpen behaalde ik daar ook mijn diploma. Als jong meisje wou ik altijd graag juf worden, maar deze opleiding tot orthopedagoog trok me ook sterk aan. Ik werkte daar tijdens mijn stages vooral met jongeren tussen de 18 en 25 jaar in een slechte thuissituatie. Ik kreeg meer en meer het gevoel dat ik deze jongeren vroeger in hun leven wou helpen en ondersteunen.
Ik besloot om na mijn opleiding in Antwerpen een verkort traject te volgen aan de Artevelde Hogeschool in Gent. Ik volgde specifieker het werkplektraject waardoor ik elke week op een lagere school mocht lesgeven om zo alle kneepjes van het vak te leren vanuit de praktijk. Daarnaast kreeg ik ook elke week een dagje les op Artevelde waarbij we de theoretische kant van het lesgeven onder de loep namen. Tijdens die praktijkdagen werd me steeds duidelijker dat dit is wat ik wil doen. Deze zomer studeerde ik dus af als leerkracht lager onderwijs. Met mijn kennis vanuit mijn beide opleidingen, wou ik zeker aan de slag in een lagere school.
Sinds september heb ik mijn eigen klasje in de Vrije Basisschool Sint-Denijs in Kalken. Ik ben daar klasleerkracht van het derde leerjaar. Ik wil de leerlingen in mijn klas zoveel mogelijk helpen en ondersteunen zodat ze ook plezier ondervinden in het leren. Op die manier hoop ik hen een attitude mee te geven zodat ze genieten van hun eigen nieuwsgierigheid, van het leren van nieuwe dingen en vooral zodat ze met plezier naar school komen om dingen bij te leren!
Wie ben je en wat waren je studies en waarom die keuze ? Wat zijn je hobby’s ?
Ik ben Conny De Corte. Na mijn humaniora studeerde ik voor onderwijzeres aan het Crombeen te Gent. Op 22 juni 1984 behaalde ik mijn diploma en op 12 november 1984 startte ik in het dorpsschooltje in Westrem in een graadklas (1ste - 2de leerjaar) als interimaris. Het schooljaar nadien, in 1985, ben ik in de school in Massemen (Massems schoolken) gestart en dit tot aan mijn pensioen in 2025. Eerst in het 3de leerjaar, daarna zorgjuf, beleidsondersteuner, halftijds directeur samen met meneer Noël en de laatste stap gebeurde in het schooljaar 2006-2007 als voltijds directeur tot aan mijn pensioen.
Ik was heel actief in de jeugdbeweging Chiro Serskamp als lid, leiding, groepsleidster en volwassen begeleiding. Tot enkele jaren terug ging ik samen met mijn echtgenoot Marc mee als kookouder op kamp. Nu zijn we nog steeds een helpende hand bij activiteiten.
Hier ervaarde ik het werken met kinderen wat zeker heeft bijgedragen tot de keuze in het onderwijs.
Mijn hobby's zijn vooral lezen, fietsen, gezellige uitjes met vrienden, de tuin soigneren, reizen en tripjes uitstippelen.
Hier en daar ook vrijwilligerswerk : maaltijdbedeling OCMW, actief in de parochie, ...
Waarom de keuze voor het onderwijs ?
Een passie voor lesgeven en het plezier in het delen van kennis en ervaringen. Ook het verlangen om positief bij te dragen aan het leven van kinderen en hen te helpen ontwikkelen en te zien groeien. Het is een uitdagend en afwisselend beroep met ruimte voor creativiteit. Je kan in elk kind het potentieel zien, ieder met zijn/haar talent
Wat was je grote voldoening als leerkracht en later als directeur
Ik probeerde de school te leiden met het hart op de juiste plaats, mij in te zetten met hart en ziel zeker ook voor de kwetsbare gezinnen. Hierbij een stukje van mijn speech op het einde van mijn carrière.
Het was ontzettend fijn om op deze school te mogen werken, een school waar mensen elke dag het beste van zichzelf geven. Ik neem nu afscheid van de doelen, plannen, vergaderingen, schoolfeesten maar ik neem wel een koffer vol mooie herinneringen mee. Zoals de schooljaren komen en gaan, kwamen en gingen ook de kinderen en de leerkrachten tijdens de voorbije 40 jaar. Geen enkel schooljaar was hetzelfde. Er was maar één constante en dat was ikzelf.
Ik geloofde en geloof in ieders talenten, juffen en meesters en ook van de kinderen. Ieder maakt zijn weg op zijn of haar manier en met de mogelijkheden die ze hebben. Komt of kwam er al eens een dwarsligger, geen erg, da’s zoals bij de trein. Je hebt een dwarsligger nodig om op een nieuw of het juiste spoor te geraken. Voor de blijvers : blijf gepassioneerd. Blijf jezelf. En probeer. Als je iets niet kunt en je valt, dan is dat niet erg. Daar leer je van. Trouwens, als je iets doet dat ze niet van jou verwachten, krijg je uiteindelijk veel meer respect. Dus ‘ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’.
Bedankt Charlotte en Conny voor jullie mooie bijdrage.
Frontartikel week 38
Beschermt de engel Gabriël onze nieuw gewijde priester?
Ik vermoed van wel, want op zondag 28 september om 10.00 uur zal onze oud-stagiair en nieuw gewijde priester, Hylco Meirlaen, op het feest van de aartsengel Gabriël in de Sint-Gertrudiskerk een dankviering voorgaan. En vermits de engel Gabriël bij uitstek de boodschapper van God is en Hylco in een interview met Geert De Cubber zei dat het geloof in Gods nabijheid hem kracht geeft, kan het niet anders dan dat de engel Gabriël hem sterkte, kracht, geborgenheid en bescherming biedt.
Overal voelen mensen zich geborgen en beschermd door een engel. Enkele jaren geleden hebben we geschreven over die enorme stalen engel, ‘The Angel of the North’ die in het Noorden van Engeland staat. Twintig meter hoog met opengespreide vleugels die maar liefst vierenvijftig meter breed zijn. Het beeld staat op een heuvel langsheen de snelweg. Veel reizigers stoppen om er te mediteren. Ook zij voelen zich geborgen onder de vleugels van die enorme engel en laten tussen de stalen gleuven van de voet dikwijls een geschreven boodschap achter.
Of onze nieuwe priester, die nationale aandacht kreeg omdat hij voorlopig als enige in Vlaanderen dit jaar gewijd werd, ook boodschappen achterlaat voor de engel Gabriël weet ik niet. Hylco is een priester die vanuit zijn verleden met beide voeten op de grond staat en het verschil tussen ‘actief’ en ‘passief’, ‘debiteuren’ en ‘crediteuren’, misschien zelfs ‘dubieuze debiteuren’, goed kent, want in een ver verleden heeft hij enkele jaren accountancy en fiscaliteit gestudeerd. Die kennis komt voor de aardse werking van een parochie sowieso van pas.
Maar op 28 september vieren we niet de aardse maar wel de hemelse werking van onze parochie. Al eeuwen wordt de engel Gabriël afgebeeld op schilderijen, tekeningen en gravures en wordt hij in alle mogelijke vormen gebeeldhouwd of geconstrueerd. Maar bestaat de engel Gabriël wel echt? Heeft er ooit iemand die engel in het echt gezien en ontmoet?
Volgens het evangelie van Lucas, moet Maria als jonge vrouw de engel Gabriël toch gezien en gesproken hebben. Maar veel komen we eigenlijk niet te weten. Lucas schrijft dat Gabriël van Godswege werd gezonden, maar hij laat Maria niet eens vragen wie de engel eigenlijk was, waar die vandaan kwam of hoe zijn naam luidde. Het enige dat we over die kennismaking te lezen krijgen, is dat Maria schrok en dat Gabriël haar geruststelde alhoewel zijn boodschap zeer onaards was; wie wordt er immers zwanger van de Heilige Geest?
Wanneer engelen in de bijbel optreden, is er meestal iets bovennatuurlijk gebeurd. Bij de geboorte van Jezus worden de herders door een engel samengeroepen en bij het lege graf worden de vrouwen door één of twee engelen toegesproken. Telkens zijn de engelen schijnbaar lijfelijk aanwezig als de boodschappers van God.
En toch zijn de engelen van een totaal andere orde dan de mens. Net zoals die reusachtige stalen ‘Angel of the North’ van een totaal andere dimensie is dan de mens. Misschien kan de verwijzing die Hylco Meirlaen in het interview met De Cubber deed, ons enigszins helpen om dit te begrijpen. Hij verwees naar een tekst uit Matteüs: Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen we eten of wat zullen we drinken, of wat zullen we aantrekken? Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal alles u erbij gegeven worden. (Mat. 6, 31-33)
Dat een jonge priester met kennis van cijfers en boekhouding juist deze woorden naar voren schuift, is niet alleen bijzonder, maar houdt tevens een boodschap in voor iedereen. In de woorden van Matteüs staat immers dat de mens zich niet uitsluitend door aardse zorgen mag laten opslorpen, maar dat hij zich moet focussen op het hemelse Koninkrijk. Die woorden zouden door een engel kunnen uitgesproken zijn, want telkens maken de engelen ons bewust van Gods nabijheid. Misschien zijn engelen de veruitwendiging van ons eigen bewustzijn dat ons steeds doet nadenken over iets Hoger dan de aardse werkelijkheid.
Als kind spraken we dikwijls over een engelbewaarder. We zagen of hoorden die uiteraard nooit, maar die engel deed ons af en toe over onze schouder kijken en beschermde ons daardoor tegen allerlei onheil. Voor een kind kon dat een hele opluchting zijn, maar ook voor een volwassene kan zoiets grote betekenis hebben. We voelen op zo een moment dat we gedragen worden door iets of iemand en dat we er niet alleen voor staan.
Mgr. Hoogmartens, de bisschop van Hasselt, zei enkele jaren geleden dat veel mensen vastlopen in de zogezegd hoog aangeschreven waarden zoals individualisme, zelfontplooiing en autonomie. De mens loopt daarin vast omdat de volstrekt autonome mens alles als zijn eigen en uitsluitend zijn eigen verantwoordelijkheid aanvoelt. En dat is een verpletterend gevoel, zei Hoogmartens. Laten we daarom die innerlijke stem de ruimte geven om de nabijheid van God aan te voelen, en laten we daarom het feest van de engel Gabriël samen vieren.
Dit jaar vieren we de feestdag van de aartsengel Gabriël op zondag 28 september. We zeggen daarbij dank voor de wijding van Hylco, maar vermits het katholicisme de maaltijdreligie bij uitstek is, verenigen we ons na de eucharistie graag aan tafel in de mooie en ruime refter van het Sint-Gertrudiscollege. Het Gabriëlfeest van onze parochie is altijd een warme bedoening.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 36
Kermis in ’t verschiet.
Straks zal de Wetterse markt terug één groot kermisdorp zijn.
De eerste zondag van september
is het Wetteren kermis en dat weet iedere Wetteraar!
Een week lang zal er in Wetteren kermis gevierd worden.
De kermis in Wetteren is een jaarlijks evenement met veel vertier voor jong
en oud. Het is een feestelijke tijd, waarin de gemeente tot leven komt.
Het zal terug een week zijn van licht en plezier; op verschillende straathoeken en pleinen zullen heel wat attracties
opgesteld staan om de mensen te vermaken. De zweefmolens, de paardjesmolen, de rupsbaan,
vliegtuigen en schommels… alles zal terug zijn vaste plaats krijgen. Eén keer per jaar zijn ze
daar, als uit het niks toveren ze een fel flitsend en luid bonkend geluid op de pleinen. Het is de
fijnste tijd van het jaar! We zullen het gerinkel horen van muntjes in het lunapark, van
knallende botsauto’s of van gierende kinderen, die hoog in de lucht zweven. Of wat dacht je
van een lekker pak smoutebollen of kermisfrietjes? Of van het gekriebel in je buik, wanneer
je op een spannende attractie zit?
Momenten die iedereen wel herkent. Maar weten jullie ook dat de kermis is ontstaan als een
kerkelijk feest? Het woord kermis is afgeleid van het woord kerkmis. En wat is nu een
kerkmis? Het is een kerkelijke viering waarbij de inzegening van een nieuwe kerk of patroon
dag van een beschermheilige werd gevierd. In Wetteren is zoals in vele andere steden en
gemeenten de kermis waarschijnlijk een voortzetting van een oude traditie, waarbij de
religieuze langzaam overging in een volksfeest met amusement.
Kermis is nu vooral een moment van plezier en ontmoeting geworden. Ik ben geen fan van de
kermis zoals die er in 2025 uitziet: wilde ritten, luchtacrobatie, autoscooters, spookhuizen,
schietkramen, gokpaleizen, de-altijd-prijs kramen… het is allemaal niet aan mij besteed. Het
is een wereld van glans en glitter geworden, waarin alles spannender, sneller en flitsender
moet. Het lijkt wel een heel groot pretpark, waarin we allemaal moeten meedraaien.
Het neemt echter niet weg dat ik mooie herinneringen koester aan de kermissen uit mijn
kindertijd. En ja ik mag zeggen kermissen want ik ben opgegroeid in een piepklein dorpje
rond de kerktoren, waar we het laatste weekend van augustus kermis vierden en amper een
week later waren we te gast bij onze grootouders in Wetteren waar de ganse familie rond de
feesttafel zat om terug kermis te vieren. Kermis was in die tijd een dag waarop familieleden,
die niet in het dorp woonden op bezoek kwamen. Om goed voor de dag te komen werd de
dagen vooraf alles grondig gepoetst zodat alles er netjes bij lag. Op kermiszondag gingen we
in de voormiddag naar de mis, bij het buitengaan begon ons hart al sneller te slaan bij het zien
van de kermismolens. Terug thuis stond in de voorplaats of mooiste kamer de tafel netjes
gedekt voor het feestmaal. Het mooiste servies en tafellinnen was bovengehaald en in de
keuken was het hoogdag! De soeppan stond reeds te pruttelen en het gebraad werd in de oven
geschoven. Na het eten was het tijd om te genieten van ‘nen druppel’ en een pot koffie met
zelfgebakken vlaai. Het delen van de maaltijd met een glas wijn of een stuk vlaai staat
symbool voor de onderlinge solidariteit. Samen uitgebreid en smakelijk eten leidde tot een
gezellig samenzijn met blije momenten en fijne herinneringen. Voor ons kinderen duurde dit
veel te lang, wij dachten immers maar aan één ding: de kermismolens!
In het dorp waar ik ben opgegroeid, stond met een vijftal kermiskraampjes het dorpsplein vol.
Ik herinner mij hier vooral de botsauto’s. Een legendarisch dorpsfiguur kreeg van de uitbater
gratis jetons, hij was immers een attractie op zich. Wij hadden er plezier in tegen hem aan te
rijden en zijn pijp in de lucht te zien vliegen! Hilarisch, daar was kermis nog een echt
volksfeest. Hoe anders was de grote kermis in Wetteren. Als kinderen van dat klein dorp
hadden we ogen tekort, van een metamorfose gesproken! We hadden mooie nieuwe kleren aan
en wisten niet op welke molen we eerst gingen zitten. De paardenmolen was iets magisch en
in een mooie koets op de draaimolen getrokken door paarden voelde ik mij een echte prinses.
Een tros trekken of eendjes vissen met een vishengel het zijn momenten waarop mijn
kinderhartje sneller ging slaan!
Later spraken we als tiener af met vrienden, nog later namen we als ouders er onze eigen
kinderen mee naartoe, en nu staan wij als grootouders te genieten als onze kleinkinderen zich
brandweerman of prinses voelen op dat kindermolentje. Hun glunderende oogjes als ze
voorbij rijden, even voelen we ons zelf terug kind. Een kermis dat houdt mensen
springlevend, het verbindt generaties.
In ons land zijn er ongeveer zeven duizend kermissen en deze staan bekend om hun unieke
sfeer met een mix van kleurrijke attracties en traditionele lekkernijen. De kermis wil mensen
samenbrengen en voor vreugde en plezier zorgen. De kermis zit ingebakken in ons DNA; ze
is verbonden aan tradities, die in onze gemeentes en families leven. De kermis is zo oud
omdat ze kan overleven. De kermis is een rode draad in de feestcultuur door de jaren heen.
Het is een fenomeen dat gaat van generatie op generatie. De kermis heeft oorlogen en
pandemieën overleefd. Blijf dus kermis vieren en laat het kind in ieder van jullie verder
leven… een mooie kermis…. ik wens het jullie van harte!
Hilde Renneboog
Frontartikel week 35
De minimumdoelen en de powerpoints zijn weer in aantocht!
Op maandag 1 september – wat is dat toch een prachtige dag – gaan alle
scholen opnieuw open. Voor hen die minder vertrouwd zijn met het
onderwijs en met de tijdsbesteding van directies en leraren: men is met
de start van een schooljaar reeds weken vooraf bezig. De buitenwereld
zou versteld staan hoeveel energie en creativiteit dat vraagt. Een school is
echt wel goed voorbereid wanneer al die kinderen en jongeren de
schoolpoorten binnenstappen.
Toch zijn er pijnpunten waar de individuele school niets aan kan doen. Zo
heeft men in Vlaanderen een goed uitgebouwd buitengewoon onderwijs,
wat altijd een teken van beschaving is! Maar nu ‘moet’ alles inclusief
worden waardoor leraren stilaan tot het zorgpersoneel gaan behoren en
veel leerlingen niet krijgen waar ze eigenlijk recht op hebben.
Daarnaast is er paniek over de dalende onderwijskwaliteit. Hoe men die
kwaliteit meet en vergelijkt is een andere vraag. De filosoof Blaise Pascal
zei ooit ‘Vérité en-deça des Pyrenées, erreur au-dela’ of ‘de waarheid in
één land, kan een dwaling zijn in een ander.’ Onderwijs is volgens
onderwijspedagoog Roger Standaert een zeer waardegeladen materie. Het
reflecteert wat een maatschappij belangrijk vindt om door te geven aan
de volgende generaties. Daarom is het onderwijs in verschillende
onderwijssystemen ook zo verschillend en moeten we opletten om niet
alles via één methode te vergelijken. We kunnen ons afvragen, zegt
Standaert, of het zin heeft dat de OESO het onderwijs in Vlaanderen
vergelijkt met dat van Aziatische landen.
Maar het peil moet andermaal omhoog en daarvoor wil de overheid tot in
het detail bepalen wat de minimumdoelen in het basisonderwijs zijn. In de
bundel waarin alle minimumdoelen opgelijst worden, zitten uiteraard veel
goede zaken die evenwichtig verdeeld zijn. Maar de ‘experts’ die deze
bundel samengesteld hebben, moeten toch wel vreemde snuiters geweest
zijn, wanneer we sommige doelen in detail bekijken.
De kleuters moeten voortaan de Nijl kunnen situeren en gelukkig ook nog
één plaatselijke rivier, wellicht naar keuze. In het vierde leerjaar moeten
ze het ‘Gilgamesj-epos’ kennen en over de middeleeuwen het schisma
tussen Sjiieten en Soennieten, de ‘keure van Kortenberg’, de ‘belegering
van Parijs’ en naast de Vikingen ook ‘Maimonides’ en ‘conversos’. Bent u
zelf nog mee? Waarom die kleuters reeds de Nijl moeten kunnen situeren,
is mij een raadsel. Waarom ze in het vierde leerjaar het Gilgamesj-epos
moeten kennen terwijl ze nog niet weten wat een ‘epos’ is, is eveneens
opvallend. Daarbij moet u weten dat men in het Gilgamesj-epos, dat 3500
jaar oud is, zich als centrale vraag stelt hoe wij als mens de dood onder
ogen moeten zien. Dit epos gaat over het drama van de beperktheid van
het menselijk leven op aarde. Wanneer de kinderen uit het vierde leerjaar
dit reeds moeten kennen, waarover spreekt men dan nog in het middelbaar?
Ik geef het echter op, want ook de middeleeuwse mystica
Hildegard van Bingen staat voor hen op het programma.
Misschien zou het al nuttig zijn om de leerlingen, zeker in het middelbaar
onderwijs, opnieuw te leren noteren tijdens de les i.p.v. uren na elkaar
naar powerpoints en bordboeken te kijken en af en toe op het teken van
de leerkracht een woordje in een invulboek neer te schrijven. Dat is wat
ze in het mooi Frans ‘une invitation au sommeil’ noemen en in het Vlaams
‘een uitnodiging om in slaap te vallen’. Digitalisering is niet meer weg te
denken in onze maatschappij, maar daarom moet het leerproces van
kinderen en jongeren daar niet aan onderworpen worden, want kijken
naar een powerpoint beklijft nu eenmaal iets minder dan zelf notities
maken en structureren.
Laat ons eveneens hopen dat op 1 september alle vacatures ingevuld zijn
en dat er niet teveel leerlingen wekelijks lange uren studie krijgen i.p.v.
les. Het lerarentekort is nu eenmaal een feit. Waarom laten aan de
universiteit briljante studenten in de taal- en letterkunde, in de wiskunde,
de wetenschappen, in economie, aardrijkskunde of geschiedenis het
onderwijs links liggen en kiezen ze voor een andere carrière? Waarom
kiezen na de humaniora niet meer briljante leerlingen dan nu het geval is
voor een lerarenopleiding, kleuter, lager of secundair? Waar zijn al die
enthousiaste leiders en leidsters uit de jeugdbewegingen dat ze niet
professioneel voor een klas willen staan?
We hebben natuurlijk allemaal boter op het hoofd. Zonder dat we ons
daar altijd van bewust waren, zijn we telkens ingegaan op alle nieuwe
tendensen en hebben we te weinig kritisch gereflecteerd. In een school
zijn richtlijnen en programma’s nodig, maar het leraar-zijn is en blijft een
uiterst intellectueel en creatief beroep. Spijtig genoeg heeft men modellen
ingevoerd die daarop volledig haaks staan: dichtgetimmerde leerplannen,
weinig doordachte dwang voor inclusie, schoolvreemde inspecties enz.
Zonder in detail te gaan en met respect voor de individuele inspecteurs,
maar het systeem van de schooldoorlichtingen heeft de zogezegde daling
van de kwaliteit – waarover de opeenvolgende ministers zo’n ophef maken
- gedurende dertig jaar toch niet kunnen verhinderen.
Over het godsdienstonderwijs waar de Heilige Geest na vijfentwintig jaar
met enige religieuze geletterdheid is neergedaald, valt eveneens een en
ander te zeggen. Maar dat houden we te goed voor een volgende keer.
Voor 1 september 2025 wensen we iedereen die op de werkvloer in het
onderwijs staat, een prachtig schooljaar toe. We wensen iedereen daarbij
voldoende creativiteit voor de nodige vernieuwing, maar tevens aandacht
voor het borgen van wat vroeger goed was.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 34
Vakantie parochieploeg
De maandelijkse vergaderingen met de parochieploeg liggen stil in juli en augustusl. Tijd om, na een
drukke periode van organiseren en kijken naar de toekomst, te herbronnen.
We vroegen aan elke parochieploeglid wat vakantie voor hen betekent. Hierbij een bloemlezing.
Vakantie betekent voor mij, rust. Mijn hoofd eens kunnen leegmaken, dingen doen die ik graag doe, in
de geest van: alles mag niets moet. Meer tijd en aandacht besteden aan ons gezin, aan familie en
vrienden. Genieten in de tuin onder een boom luisterend naar de vogels. Een fietstocht met picknick
onderweg. Verwondering in de schoonheid van alledaagse dingen. Genieten van de stilte. En
misschien wel het belangrijkste: meer dingen samen doen met Jan.
Nicole Verstraeten
Een moment van rust en eenvoud. Geen drukte, geen verre reizen - maar dichtbij huis, in mijn
vertrouwde omgeving, met de mensen die me dierbaar zijn.
Het is ook tijd doorbrengen met mijn familie en vrienden, een goed boek in de hand, een haak- en/of
breiwerk voltooien en vooral: niets moeten.
Vakantie is voor mij de batterijen opladen, voelen dat er ruimte is voor te ademen.
Het is genieten van het kleine, het onverwachte, van alles wat er gewoon mag zijn.
Inge Janssens
Hoewel ik reeds met pensioen ben, zijn mijn dagen nog goed gevuld en ben ik soms aan vakantie toe.
Vakantie is voor mij tot rust komen in de abdij van Brecht. Meeleven op de deining van het gebed van
de slotzusters. Maar vakantie is ook ‘op reis’ gaan, wijder kijken, andere culturen leren kennen, de
pracht van historische gebouwen en kerken bewonderen, wandelen of fietsen in de natuur. Het is
ergens een kerkje binnengaan en een kaarsje doen branden, een kort gebed voor al wij mij dierbaar is.
Erna De Keulenaere
Vakantie is voor mij in het begin altijd wat wennen. Als je aan het werk bent, dan heb je een vaste
structuur en ritme in je leven.
Maar vakantie draait dit allemaal om. Plots moet je niet meer naar je werk, kan je allerlei dingen doen
waar je anders de tijd niet voor vond.
Die leegte, dat niet moeten is voor mij in het begin wennen. Plots mag je je dagen invullen zoals je
helemaal zelf wenst.
We proberen in deze periode wat in de tuin te werken, te fietsen, te reizen, mensen uit te nodigen of
zelf ergens te gast zijn, ... kortom elk jaar opnieuw
is de vakantie een periode van voluit leven zonder vaste structuur. Dat geeft vleugels voor de rest van
het jaar!
Mieke Morlion
Vakantie is voor mij een poging en noodzakelijke oefening in 'loslaten'. De vele dagelijkse moetjes
achterwege laten en bewuster genieten van de vele magjes. Een wandeling waar we ingaan tegen de
uitgestippelde route om ons te laten verrassen door de charme van het kleine en onbekende. Een lang
ontbijt of diner met tijd voor de gesprekken die er toe doen. Intense momenten van 'samen zijn' en zo
herinneringen creëren en ophalen, herinneringen waar we weer nog een lange tijd op kunnen teren.
Dus liever geen tot in de puntjes uitgewerkte vakantieplannen voor mij en mijn gezin maar een 'pluk
de vakantiedag' met bewust genieten van elkaar en oprechte ontmoetingen met de ander.
Nele Van de Maele
Vakantie betekent voor mij …
genieten van
vergader-vrije avonden
van de rust en stilte in de straten
van een uitgesteld bezoekje
van een fietstochtje
van enkele dagen in de bergen
van een goed gesprek
van de ronde van Frankrijk
Weer goesting krijgen om aan het nieuwe werkjaar te beginnen !!!
Yvan Stassijns
Vakantie is voor mij in de eerste plaats even stoppen met de dagelijkse drukte, de volle agenda’s, de
deadlines.
Is tijd om bij te praten met familie en vrienden, tijd voor lange tafels en volle glazen, samen eten,
verhalen delen, veel lachen…Maar ook tijd voor ontdekking: nieuwe geuren, andere stemmen, frisse
gedachten.
Is tijd om even stil te vallen, voor een boek dat al lang ligt te wachten en trage ochtenden met koffie en
stilte in de tuin.
Karolien Buysse
Bij vakantie denk ik spontaan aan reizen, ontspanning , niets dat moet, ver weg of juist gewoon eens
thuis.Maar als ik er even over na denk, draait het voor mij vooral om tijd: tijd hebben of beter gezegd
tijd maken.Tijd om mijn batterijen op te laden, tijd om eens na te denken, een boek te lezen, tijd om
eens stil te staan bij wat voorbij is, plannen en ideeën te maken voor de toekomst.
Misschien nog belangrijker is tijd maken voor anderen, wat extra tijd voor je relatie, voor je gezin, tijd
om samen leuke dingen te doen, nieuwe plaatsen te ontdekken, gekke dingen te beleven en zo de
onderlinge band te versterken maar ook om kleine haperingen weg te werken.
Maar tenslotte ook tijd om te bezinnen, een ongekende kerk binnen te stappen en het gewoon op je af
te laten komen. Ook hier tijd maken om de band met Hem aan te halen. Zulke stilteplekken zijn
daarbij voor mij heel belangrijk , maar ook in de natuur kunnen vergezichten, weidsheid of
schoonheid van deze wereld mij raken en inspireren.
Kortom vakantie is een tijd om dankbaar te zijn.
Frank Maudens
In het licht van wat er zich wereldwijd afspeelt — in Oekraïne, Gaza, Soedan — is vakantie mogen
nemen een absoluut voorrecht. Het contrast tussen onze rust en de voortdurende onrust waarin zovele
mensen leven, schuurt. Misschien moeten we daarom vakantie vieren in de geest van koning Filips'
woorden op de nationale feestdag: niet om te vergeten wat er elders gebeurt, maar om ons eraan te
herinneren wie we zijn — en wat we samen kunnen betekenen, als mensen, als Belgen, als
Europeanen. Laat vakantie geen vlucht zijn, maar een bron van hoop en verbondenheid. Vakantie kan
dan meer zijn dan ontspanning: een moment van bezinning, dankbaarheid en hernieuwde moed.
Paul Rohaert
We zien met veel hoop en dank uit naar onze Gabriëlparochie vanaf de toekomst.
Frontartikel week 33
Het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming heeft drie luiken die ik graag belicht:
een historisch luik, een theologisch luik en een moreel luik.
Het historisch luik
Het feest van Maria Tenhemelopneming werd in de eerste kerk helemaal niet gevierd.
Trouwens, de moeder van Jezus kwam in de eerste kerk niet echt op de voorgrond. Alle
aandacht ging immers naar Christus zelf en naar de betekenis van zijn verrijzenis, van
zijn overwinning op de dood en zijn wezenseenheid met de Vader.
De eerste feesten waarin Maria uiteindelijk toch ter sprake kwam, waren dan ook echte
Christusfeesten. Zo bijvoorbeeld het feest van Maria Boodschap (het ging om de
aankomende Jezus) of het feest van Maria Lichtmis dat eerder ‘Opdracht van de Heer in
de tempel’ werd genoemd. Pas heel laat, en dan bedoelen wij de 6de eeuw, ontstonden
echte Mariafeesten, zoals het feest van ‘Maria Geboorte’ en het feest van ‘Maria
Tenhemelopneming’ hoewel de kerk natuurlijk al veel vroeger had nagedacht over de rol
van Maria in de heilsgeschiedenis.
Zo moet er al vrij vroeg een kerkje aan haar zijn toegewijd, ergens tussen Jeruzalem en
Bethlehem, een Mariabasiliek. Het is de kerkwijding van deze Mariabasiliek, die elk jaar
plaatsvond op 15 augustus, die uiteindelijk heeft geleid tot het officiële feest van Maria
Tenhemelopneming op 15 augustus, ingesteld in 582 door keizer Mauritius in
Byzantium.
Rome nam het feest over in de 7de eeuw, naar alle waarschijnlijkheid onder paus
Sergius I. Sinds de 7de eeuw vieren we bijgevolg op 15 augustus de
Tenhemelopneming van Maria. Maar het is pas paus Pius XII die de ‘tenhemelopneming
van Maria’ echt als dogma uitvaardigde in 1951.
Het theologische luik
Wat vieren we eigenlijk als we zeggen ‘Maria Ten Hemel Opgenomen’? Laten we bij
deze vraag eerst goed overwegen dat er in het Nieuwe Testament nergens sprake is
van de Tenhemelopneming van Maria. Ook de eerste kerk vierde zoals gezegd dit feest
niet. Wat ze wel op zeker ogenblik is gaan vieren, is de sterfdag van Maria, haar zgn.
‘koimesis’ in het Grieks, in het Latijn ‘dormitio’, in het Nederlands haar ‘ontslaping’.
Nu nog vieren de orthodoxen de ‘ontslaping van de Moeder Gods’. En de ‘ontslaping’
van Maria, haar sterven, droeg natuurlijk alle redenen in zich om na te denken over de
betekenis van haar als ‘ontslapene’. De Nederlandse term bevat hier gelukkig het hele
antwoord: ‘Ontslaping’: Maria komt los uit haar slaap, ze wordt als het ware gewekt, met
ziel en lichaam wordt ze meegevoerd naar de plaats van het leven, naar de hemel.
Waarom de theologie dan niet van haar ‘verrijzenis’ spreekt of van haar ‘hemelvaart’, is
duidelijk: niet uit eigen kracht gaat Maria immers de hemel binnen zoals haar Zoon die
van God is; zij is geen godin, zij deelt gewoon in de genade van haar Zoon en van die
van God door haar uitverkiezing (denk aan de mooie schilderij van Titiaan waar Jezus
Maria opneemt in hemel of een Russische icoon waarop Jezus de ziel van Maria draagt
als een kind). Op het Concilie van Efeze (431) ging men met het oog op haar Zoon aan
Maria de titel ‘Theotokos’ geven, de ‘Godbarende’, waarbij alle nadruk lag op de
goddelijke natuur van Jezus van bij zijn geboorte, niet op Maria. Langzaamaan ging men
Maria daarna ook ‘mètèrtheou’, ‘mater Dei’, ‘moeder van God’ noemen, op het gevaar af
dat men haar verkeerdelijk zou gaan beschouwen als belangrijker dan God.
Het morele luik
Tot welke levenshouding spoort Maria ons aan? Maria toont ons in heel haar levenswijze
dat zij gewoon behoort tot de rechtvaardigen en van de rechtvaardigen zegt de Schrift al
van in het Oude Testament, dat zij zullen opstaan, zullen verrijzen op de dag die God
bepaald heeft. Maria verwijst als rechtvaardige in heel haar leven uiteraard naar de
rechtvaardige bij uitstek, naar haar Zoon. Heel haar leven is op Hem gericht en ook
het Magnificat in haar mond is retrospectief gezien één ode op de verheffing van haar
rechtvaardige Zoon waarvan ze in verwachting is: de arme van geest, de nederige, de
vriend van de kleinen. Men moet niet op de troon willen gaan zitten, is de boodschap, de
troon van David met name waarop haar Zoon allerminst wenste op te stijgen. Als
rechtvaardige moet men in de ogen van God inderdaad die troon altijd leeg laten. En
wie haar Zoon wil volgen zoals zij deed, doet er ook goed aan met heel zijn ziel God
hoog te verheffen. Maria is natuurlijk niet de eerste die God met haar ziel hoog verheft,
zij is niet de eerste der rechtvaardigen – velen zijn er voor haar geweest en velen zullen
dan ook verrijzen op de dag die God heeft vastgesteld – maar Maria is de eerste
uitverkoren christelijke rechtvaardige, zij die het plan van God in zijn Zoon, de verlossing
van de mensheid, volmondig heeft beaamd.
Haar valt dus een bijzondere eer te beurt, een eer die in de ogen van de Kerk gevolgen
moet hebben bij haar ontslaping. Het beeld van de tenhemelopneming beantwoordt
alvast aan die eer. Elk beeld gaat natuurlijk altijd mank. Maar voor ons, christenen, is zij
de eerste christelijke heilige, de eerste volwaardige christen, de eerste van het Nieuwe
Verbond van God met zijn volk, de Hoge Vrouwe die ons nu vanuit de hemel kan
inspireren, kan beschermen en kan voorgaan om in eenheid met haar Zoon even
rechtvaardig te zijn, even nederig van hart en even sterk bezield met hoop op onze
eigen verrijzenis en verheerlijking op de jongste dag.
Ik wens u allen daarom onder de hoede van deze Hoge Vrouwe een zalige hoogdag.
E.H. Marc Van Steen
Priester op rust in Lede
Frontartikel week 32
Hoe komt dat toch allemaal?
Het is merkwaardig hoe alles op korte tijd verandert. Soms ten goede, soms onvoorstelbaar dom. We zijn nu halfweg de zomervakantie en de kinderen en de jongeren genieten nog volop van een welverdiende rust. Dat is ook nodig om hun hoofden tot rust te laten komen. Tijdens zo’n lange vakantie ervaren ze veel nieuwe dingen, maar de georganiseerde kennisoverdracht start pas op 1 september. Dan gaan een miljoen kinderen en jongeren opnieuw met een frisse en heldere geest naar school. Maar tussen de overgang van de crèche naar de kleuterschool, van de kleuterschool naar de lagere school of van de lagere school naar het middelbaar zitten vandaag enkele weerhaken.
Kleuters dienen zich al een jaar voor de start van hun prille schoolcarrière op een lijst te zetten. Doen de ouders dat niet, dan riskeert hun oogappel geen plaats te hebben in de school van hun voorkeur ook al ligt die op wandelafstand van hun woonplaats. In het middelbaar onderwijs, zeker in stedelijke gebieden, is het zelfs een loterij geworden. Men moet daar bij de overgang van de lagere school naar het middelbaar een keuzelijst van drie scholen opgeven en dan maanden bang afwachten of men de school van zijn eerste, tweede of derde keuze toegewezen krijgt.
Voor een jongen of een meisje van twaalf jaar en voor hun ouders is dat een stresserende periode. Nog voor ze moeten starten, zitten ze al in de ratrace en moeten ze afwachten of ze wel voldoen aan alle criteria om in de school die ze verkiezen toegelaten te worden. De regelgeving van de overheid doet hier het welzijn van de kinderen alleszins geen deugd.
Waarom heeft men een plaats in ons basis- en secundair onderwijs zo beregeld? De babyboomers uit de jaren vijftig en zestig gingen naar een school dicht bij hun woonst of naar de school van hun eigen keuze. Ook al steeg het aantal kinderen in die jaren spectaculair - men spreekt niet voor niets over de babyboom van toen – nergens was er plaatsgebrek in een school. Men schreef zich in en op 1 september werd je daar verwacht. Toen er vroeger capaciteitsproblemen waren, loste men dat op door een vleugel bij te bouwen of door oude internaatsgangen te transformeren tot klassen. Nu het aantal geboorten daalt, zet men leerlingen in de wachtrij alsof het nummers zijn en wijst een algoritme een school toe!
Merkwaardig genoeg kan men in het hoger onderwijs - op enkele richtingen met een numerus clausus na - gaan waar men wil. Wil je naar Leuven gaan, geen enkel probleem, je bent er welkom. Wil je naar Gent, waarom niet, men kan zich daar onmiddellijk inschrijven. Ga je liever naar Hasselt of Kortrijk, ga je gang. Men zendt vanuit bepaalde hogescholen zelfs zegebulletins uit wanneer er plots een stijging van tien tot twintig procent van het aantal studenten is voor richtingen met een krapte op de arbeidsmarkt. Ook al klaagt men in het hoger onderwijs over een onderfinanciering, iedereen is welkom.
We moeten in België gelukkig geen torenhoog inschrijvingsgeld betalen zoals in Amerika of Engeland, geen aanbevelingsbrieven sturen of afwachten of men aan ‘prestigieuze’ instellingen wordt aanvaard. Hoe komt het toch dat ons hoger onderwijs zo democratisch en vrij toegankelijk is en we in ons basis- en secundair onderwijs met wachtlijsten werken? Er zijn blijkbaar een paar constructiefouten in de organisatie geslopen.
Niet dat het vroeger allemaal op wieltjes liep, maar in de jaren vijftig en zestig nam de overheid structurele maatregelen om jongeren te stimuleren en de toegang tot het onderwijs te verbreden. In 1954 werd voor “Begaafde en minvermogende leerlingen” via het Nationaal Studiefonds een uitgebreid systeem van studiebeurzen uitgewerkt. Het felbevochten schoolpact uit 1958 zorgde er wel voor dat het secundair onderwijs principieel kosteloos werd. In 1964 werd de omnivalentiewet goedgekeurd waardoor de toegang tot de universiteit ook voor de moderne humaniora en het tso mogelijk werd op voorwaarde te slagen voor een maturiteitsexamen. Het ging zo vanzelfsprekend dat iedereen in de nasleep van het mythisch jaar 1968 het maar normaal vond dat men na de moderne humaniora naar de universiteit kon gaan. Wie zou hen toen tegengehouden hebben?
De democratisering van het onderwijs kende daardoor een enorm succes. Ook de meisjes werkten in de jaren zestig en zeventig meer dan vroeger zeer vlot de aso-richtingen af en gingen daarna massaal naar het hoger onderwijs. Het was de tijd dat de overheid onderwijsmaatregelen nam die zich niet moeiden met de inhoud en vooral niet met de manier waarop de leraar in zijn klas te werk moest gaan - op de invoering van de moderne wiskunde na, maar ook die is enkele decennia later stilletjes afgevoerd.
Nu heeft men opnieuw de neiging om gedetailleerde eindtermen en voor de kleuters en lagere schoolkinderen minimumdoelen in te voeren waarin staat dat kleuters de Nijl moeten kunnen situeren en dat leerlingen uit het vierde leerjaar moeten weten wat het Gilgamesj-epos is. Maar daarover later meer. Wat vroeger vanzelfsprekend en daardoor dikwijls rustgevend was, is nu onderhevig aan gedetailleerde inhoud en voortdurend wijzigende regelgeving. Duidelijke regels maken goede vrienden, maar enige kritische reflectie over de inhoud en de impact van die regels is eveneens op zijn plaats. We kunnen ons daarover ergeren of ons afvragen hoe dat toch allemaal zo gekomen is. Maar kom, het is zomer en onder het weelderig bladerendak van een boom komen we tot rust. Zoals Händel in die mooie aria ‘Ombra ma fui’ het hoofdpersonage laat zingen dat de schaduw nergens zo zacht is dan onder de bladeren van zijn geliefde plataan.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 28
Lof van de bergen
Wij wonen in een vlak land, bij ons zijn geen hoge bergen. De hoogste top van de Vlaamse Ardennen verheft zich amper 150 meter boven de zeespiegel. Toch weten ook wij, mensen van het laagland, wat bergen zijn.
Voor de meeste vakantiegangers is de zee hun uitverkoren plaats. Maar niet weinig mensen gaan ook graag naar de bergen. De aanblik van de besneeuwde toppen in Zwitserland of Oostenrijk vervult hen van bewondering. Wandelen in zo’n wijds landschap vermoeit en ontspant tegelijk. Niet alleen het landschap is wijds, ook de beleving onderweg verruimt het hart. Men geniet van de zon en het spel van de wolken, men ademt een zuivere lucht in, men ervaart een wondere stilte, men hoort het geruis van een bergbeek, men ruikt de geur van bloemen en weiden, men tuurt naar een horizon die zeer ver ligt.
Fascinatie
Bergen oefenen een wonderbare fascinatie uit. Zij getuigen van de grootsheid van de natuur. Pelgrims naar Lourdes maken ook dikwijls een busrit door de Pyreneeën. Dit past bij een bedevaart; het brengt de pelgrims onder de indruk van de verhevenheid en de schoonheid van de schepping. Wie er gevoelig voor is, beleeft het als een spoor van de Schepper en als een aansporing om Hem te loven. In de Bijbel worden zelfs de bergen zelf opgeroepen hun Schepper te loven: “Loof de Heer, bergen en heuveltoppen” (psalm 148,9). “Laten rivieren in de handen klappen en samen met de bergen jubelen.” (psalm 98,8).
Een berg maakt een mens anders. Als men op de top wil komen, moet men klimmen. Het vraagt inspanning om er te geraken. Soms is het een gevecht met jezelf om boven te komen. De klimmer ontdoet zich van veel, allerlei bijkomstigheden laat hij achter. Klimmen is een soort ascese, een ontlediging om dan vervuld te worden met de beloning van een prachtig vergezicht, een panorama dat men van beneden niet kan zien. Een bergwandelaar drukte heel zijn spirit uit in dit mooie gezegde: “Alles wat ik nodig heb, draag ik op mijn rug; mijzelf voel ik gedragen door God.”
Gods nabijheid
Bergtoppen wijzen naar boven. Bergen reiken naar de hemel, de plaats van Gods nabijheid. Boven op de Alpen staat dikwijls een kruis. Mozes ontving de tien geboden boven op de Sinaï. Elia beleefde een Godsontmoeting bij de berg Horeb. Salomo bouwde de tempel op de berg Sion. De top is een plaats waar iets van God openbaar wordt.
Ook Jezus hield van de bergen. Voor Hem was de berg allereerst de plaats van het gebed, de plaats van het alleen zijn met de Vader. In Matteüs 14, 23 staat: “Toen Hij de mensen weggestuurd had, ging Hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en Hij was daar helemaal alleen.”
Tal van bergen zijn op te noemen uit zijn leven: de berg van de bekoringen, de berg waar Hij zijn eerste grote toespraak houdt, de berg waar Hij bidt, de berg van zijn doodsangst, de berg van het kruis, en tenslotte de berg vanwaar Hij als verrezen Heer zijn leerlingen uitzendt om aan alle volken het evangelie te brengen.
Berg van de verheerlijking
Eén bijzondere berg hebben wij in dit rijtje niet vermeld, de berg van de verheerlijking. Op een dag nam Jezus drie van zijn leerlingen mee op een hoge berg, waar ze alleen waren. Voor hun ogen werd Hij van gedaante veranderd. Zijn gelaat en zijn kleren gingen stralen als het licht. Heel zijn lichaam werd een ogenblik de weerspiegeling van zijn hemels, goddelijk wezen.
Uit dit visioen brachten de leerlingen van Godswege de boodschap mee: “Dit is mijn welbeminde Zoon.” De kern van Jezus’ verheerlijking was zijn bemind-zijn door de Vader. Dit is het alles overstralende licht. Niet Mozes of Elia, niet een of andere grote figuur, brengt ons tot God. In Jezus is God ons nabij gekomen. Hij is de Zoon op wie de liefde van de Vader rust. Dit was overduidelijk op dat unieke moment boven op de berg. Het was ook zo daarna in zijn nederige, menselijke gestalte. Het was tenslotte zo in zijn geschonden en verminkte gestalte op het kruis, boven op die andere berg.
Voor ons
De leerlingen waren met Jezus onderweg naar Jeruzalem, naar zijn lijden en sterven. Eén ogenblik werd hun openbaar dat zijn bestemming niet de dood was, maar Gods liefde, zijn licht en zijn heerlijkheid. Boven op de berg viel over Hem een glans die alle sterfelijkheid overstijgt.
De Kerk viert deze wonderlijke verheerlijking op 6 augustus. Omdat deze datum zelden op een zondag valt, ook dit jaar niet, is dit feest ons minder bekend. Maar zoals de Mont Blanc uitstijgt boven alle Alpentoppen, overtreft de boodschap van dit feest al onze voorstellingen. Wij zijn geroepen om te delen in het Zoonschap van Jezus. Als broer of zus van Hem zijn wij aangenomen kinderen van God. Ook op ons rust Gods liefde. Als wij de berg van ons leven beklommen hebben, zijn ook wij bestemd om een heerlijkheid te zien die elke menselijke schoonheid overtreft.
Jos Verstraeten
Heb je een mooi vakantieverhaal, een mooi moment of een aangename ontmoeting meegemaakt en wil je dit delen met ons, stuur dan je verhaal of tekst naar redactiepb5@gmail.com.
Alvast bedankt en aan iedereen een deugddoende vakantie gewenst.
Frontartikel week 26
Met vakantie
Naar Oostakker en Scherpenheuvel
Met vakantie gaan is vandaag een evident gegeven. We moeten reizen, de wereld zien, nieuwe dingen ontdekken en dit liefst zo exclusief mogelijk. Anderen trekken er op uit met de tent of de caravan of camper en zoeken het iets avontuurlijker.
Wanneer je wat oudere mensen hoort praten dan was vroeger op reis gaan niet zo evident. We interviewden enkele bewoners uit een rusthuis. Omwille van de privacy gebruiken we een fictieve of geen naam.
Een vrouw vertelt en wil zoveel vertellen dat ik haar af en toe moet herinneren waarover mijn vraag eigenlijk gaat. Een levenslustige vrouw die ondanks toch wat tegenslagen nog positief in het leven staat.
Ik ben geboren in Overschelde en 87 jaar. We waren met acht. De oudsten zorgden voor de kleintjes. Op mijn 14 jaar ging ik werken bij Cooppal. We moesten stenen, die uit Congo kwamen, per kleur sorteren. Het werk werd vooral gedaan door meisjes. In het begin aan een tafel maar later werd het bandwerk. Het was vooral mijn moeder die voor ons zorgde omdat mijn vader heel veel werkte. Ik had een gelukkige jeugd.
Met school ging ik naar Oostakker en dat was het. Toen de eerste wereldoorlog uitbrak deed ik een heel bijzondere maar korte reis. Men vader werd opgeëist door de Duitsers. Op een dag was het alarm. Mijn moeder, samen met haar 8 kinderen, vluchtte van Overschelde naar Kalken. Daar verbleven we een nacht bij een boer in zijn schuur en de andere dag konden we terug naar huis. Een korte maar bewogen reis.
Ik huwde toen ik 20 was en we gingen op huwelijksreis naar Frans Lourdes. We kregen in 40 maanden tijd 3 kinderen en ik scheidde van mijn man toen mijn oudste kind 16 was.
Pas als de kinderen bij mij uit huis waren, ik met brugpensioen en 50 jaar was, ging ik op reis. Gezien ik niet durfde vliegen, reed ik met een bus naar Spanje waar mijn zus een appartement had. Mijn kinderen vonden dit vreemd omdat ik nooit eerder zo ver en op die manier reisde en ik eigenlijk een huisduif, lees een Wetterse sociale vrouw was. Het beviel mij zo dat ik jaarlijks het appartement huurde voor drie maanden. Ik had de smaak te pakken en deed nog heel wat mooie reizen.
Acht jaar geleden werd het fysiek lastig. Ik kan niet meer reizen en verhuisde van mijn huis in België naar een serviceflat. Gezien ik heel sociaal ben deed ik daar vrijwilligerswerk. Ook dat werd te lastig en ik had meer hulp nodig. Sinds een paar weken woon ik in het RVT waar ik in plaats van te zorgen mij nu laat verzorgen. Hier heb ik nog heel wat contacten met bewoners en voel ik me al thuis.
Ik ontmoette ook Veronica. Zij zat in het bureau van de creaverantwoordelijke en deed wat klusjes. Ze neemt me mee naar haar kamer en vertelt.
Ik ben 96 jaar. Als ik klein was gingen we nooit op reis met onze ouders. Als twintiger gingen we met het gezin naar Scherpenheuvel.
Toen ik huwde gingen we naar de Ardennen, we hadden een appartement aan zee en daar verbleven we regelmatig.
Later deden we samen met mijn zus en haar man heel mooie verre reizen: China, Viëtnam, Zuid-Amerika, Canada. Ze herinnert zich dat ze in Peru een Nederlands sprekende man ontmoetten. Mijn man is 15 jaar geleden gestorven en ook mijn zus haar man is overleden.
We gaan nog af en toe samen naar Oostakker.
Na ons gesprek neemt Veronica mij mee naar de cafetaria. Ze wil mij tracteren maar ontdekt dat haar zus misschien op bezoek kan komen en haar niet zal vinden. Ongerust keert ze terug naar haar kamer en legt een briefje. In de cafetaria is er een verjaardagsfeest en samen zingen we ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde …’
Ik bezocht ook Rachel. Zij is 83 jaar, woont alleen in een kangoeroewoning met haar dochter.
Ik ging met mijn ouders niet op reis. Als kind wandelden we tijdens de lessen van de lagere school in Sint-Lievens-Houtem naar Leeuwergem om beukennootjes te rapen. Wij waren met vier en ook in het secundair mocht ik van mijn moeder niet mee op schoolreis omwille van de kosten. Zij wou dat al haar kinderen op reis konden en dat kon ze niet betalen.
Ik liep tot 16 jaar school en aansluitend had ik werk in een bank in Gent. Op 17 jaar mocht ik met de CM naar Zwitersland en op 18 ging ik met de katjotters nationaal naar Lourdes.
Toen ik trouwde met Albert was ik 23 en we gingen op huwelijksreis naar Lourdes met de bus naar Brussel Zuid, de trein naar Lourdes en verbleven in hotel Stella Matutina in de huwelijkssuite. Een mooie reis.
Het reizen lag een periode stil toen we kinderen kregen. We gingen alleen nog op daguitstap of een weekend naar de Ardennen of de Kempen. Wanneer de kinderen groter werden en het huis uit gingen we naar Rome, Praag. In Polen bezochten we in Wadowice het geboortehuis van Paus Johannes Paulus II. Auschwitz heeft een heel diepe indruk nagelaten.
Mijn man Albert werd 60 en ging als boom- en plantenkweker met pensioen omwille van reuma. Als verjaardagsgeschenk vroeg hij geld en daarmee konden we naar Zuid-Afrika. We bezochten oa Johannesburg, het Krügerpark en Kaapstad. Dat was in 2001 en ook dan nog ondervonden we tekenen van apartheid. Onze witte chauffeur was heel minachtend naar de zwarte mensen die hij ontmoette.
Als lid en bestuurslid van KVLV ging ik gedurende een gans periode meestal in juli mee op daguitstap. We bezochten in een stad een museum, gingen samen shoppen, eten en maakten plezier. Het was een gemeenschapsgebeuren dat we niet wilden missen.
Mijn grote wens is het Noorderlicht nog eens …
Bedankt dames voor jullie eerlijk verhaal.
Heb je een oud verhaal of ga je dit jaar met vakantie en wil je het delen met ons, stuur je verhaal naar redactiepb5@gmail.com.
EDK
Laarne Sint-Machariusommegang
Anker van de hoop
En of het goed geweest is…
Op pinkstermaandag 9 juni ging in Laarne de jaarlijkse ommegang door. En of het terug een succes geweest is. De weergoden waren St.-Macharius en zijn gevolg gunstig gezind. Het anker kon tijdens dit jubeljaar niet ontbreken, dus ging het ook mee op tocht met de pelgrims van hoop. Dit jaar mochten we ook het beeld van de heilige Martinus uit Massemen verwelkomen! De hoopvolle tocht werd bijgewoond door ongeveer 270 personen. Gaandeweg kwamen er steeds personen bij met als hoogtepunt de erekoer van het kasteel. De kleuters van de VBS Laarne brachten het St.-Machariuslied geanimeerd naar voor. Van het kasteel ging de tocht verder richting de kerk waar nog een korte bezinning plaatsvond, de litanie van de H. Macharius werd gebeden en het ‘Te Velde’ en het Tantum Ergo weerklonk. Wie wou kon zich laten zegenen met de reliek van de H. Macharius.
Hoop, vertrouwen, bereidheid, behulpzaamheid, kijken, nieuwsgierig vragen stellen, eerbied, bidden, zingen, vrijwillige inzet, stappen, jong en minder jong, geloof, enthousiasme, bloemen, kennismaking, bewondering, vendeliers, paarden, verenigingen, dragers, muziek, landelijke wegen, zijn woorden die woorden die typerend zijn voor deze ommegang.
Voor diegenen die er niet konden bij zijn, een greep uit de teksten die voorgelezen werden aan de verschillende haltes.
Aan de kapel van O. L. Vrouw - Trek weg uit uw land.
Ik ben een pelgrim. Ik moet weg uit mijn comfortzone. Waarheen leidt deze trip? Hoe weet ik wat de juiste bestemming is? Waar is Hij die mijn eindbestemming is? Wat is waar? Wat is echt? Ik slenter, ik stap, ik loop. Ik droom, ik twijfel, ik denk. Onderweg zie ik zijwegen die naar nergens leiden. Ik zie anderen stilstaan, kruispunten die naar de diepte voeren. Wie weet kan ik mijn twijfel omzetten in hoop, voor mensen die mij lief zijn, voor mensen op mijn weg die ik niet ken. Misschien wel voor mijzelf.
Aan de kapel van St.-Macharius - Zorg voor de Schepping - Laudato si
Met ‘Laudato si’ wou Franciscus iedereen uitdagen en oproepen om op zoek te gaan naar doortastende antwoorden op de klimaatverandering. Er werd gebeden opdat de wereldleiders zich zouden laten inspireren tot openheid, dat ze luisteren naar degenen die het hardst getroffen worden door de klimaatverandering, dat ze de moed vinden om wijs en snel te handelen, zodat ons gemeenschappelijk huis kan herstellen en alle mensen, nu en na ons er van kunnen genieten. Mogen we onze gevoeligheid vergroten om het mooie en het goede Gods Schepping op het spoor te komen en mogen we in staat zijn Hem te herkennen in al wat leeft.
Aan de kapel van St.-Antonius - Voor de jongeren die de hoop van onze toekomst zijn.
Jongeren zijn tekenen die de hoop belichamen. Paus Franciscus vroeg ons ‘meer inspanningen te doen om hen te ondersteunen. Om met hernieuwde ijver te zorgen voor adolescenten, studenten en jonge koppels – de nieuwe generaties. Om dicht bij hen te staan, want zij zijn de vreugde en de hoop van de Kerk en van de wereld. Er werd gebeden opdat wij als volwassenen de jeugd wijsheid bijbrengen en dat wij elkaar behoeden voor fouten uit het verleden. Dat we de jongeren horen als ze ons oproepen niet vast te zitten aan structuren die geen leven brengen. Dat wij hen adem geven en ruimte. En licht. En liefde.
Aan de boomkapel - Voor hoop voor ontheemden en vluchtelingen
Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was. Hij zag de man die door de rovers voor halfdood achtergelaten was en was ten diepste met hem begaan. 34Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Toen zette hij hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een herberg, waar hij hem verder verzorgde. 35De volgende ochtend haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg voor hem”, zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden.” 36Wie van deze drie is naar uw mening de naaste geweest van de man? Lc. 10,33-36
Aan de kapel van St.-Macharius - Voor vrede voor de wereld.
Er werd gebeden opdat het Woord van God dat Jezus ons bracht
het hart en het verstand van onze leiders, zou voeden en sterken,
en het bekwaam maken vrede te brengen overal op aarde.
Op de binnenkoer van het Kasteel - Onze ultieme hoop
Voor elk van ons komt het ogenblik dat we het laatste stukje van onze weg gaan. Als we dan met gelovige ogen terugkijken, ontdekken we dat in elke mens vanaf zijn ontstaan een vonkje van goddelijk leven is. Alles wat in liefde werd gedaan verdwijnt niet. Over de grenzen van de dood wordt dat bonte palet van leven door God tot een kunstwerk voltooid. Die toekomst zal ons persoonlijk te beurt vallen. God houdt niet op trouw te zijn wanneer iemand sterft. Met dat geloof in trouw van onze God staat of valt ons geloof.
Het was een deugddoende tocht, doorspekt met tekens en woorden van hoop. Wie de volledige tekst van de ommegang wil lezen, er liggen nog enkele boekjes achteraan in de kerk van Laarne. Een groot en van harte dankjewel aan allen, groot of klein, die voor of achter de schermen hun steentje bijdroegen om van deze editie terug een geslaagde ommegang te hebben gemaakt.
Nicole Verstraeten
Frontartikel week 25
De huiskamer van de parochie
Op de Nederlandse televisie (NPO2) zenden ze elke zondagvoormiddag het programma ‘Geloofsgesprek’ uit. Het is de katholieke geloofsgemeenschap van Nederland die daar in een gesprek van telkens een kwartiertje, getuigenis aflegt van wat het geloof voor hen betekent en hoe ze dat organiseren en uiten. Enkele maanden geleden is men gaan filmen in de Sint-Jorisparochie in Eindhoven voor een gesprek met de pastoor over zijn kerkgebouw en over een opmerkelijke aanbouw die ze daar gerealiseerd hebben.
Aansluitend aan het kerkgebouw heeft men een gezellige ruimte gebouwd die rechtstreeks vanuit de kerk toegankelijk is. Niet via een smal deurtje, maar door een brede doorgang. In die ruimte staan tafels met huiselijke tafelkleedjes, stoelen en voldoende ruimte om wat afgezonderd te zitten. Elke zondag na de misviering gaan de parochianen die dat wensen, daar op de koffie voor een ontspannen gesprek. Men noemt die ruimte in Eindhoven daarom ‘de huiskamer van de parochie’.
Denk nu niet dat die Nederlanders in al hun zakelijkheid zomaar een doordeweekse feestzaal naast hun kerk gebouwd hebben. Ook in ‘de huiskamer’ voelt men de aanwezigheid van het spirituele. Aan één muur bijvoorbeeld zie je beelden van de vier heiligen die in Nederland de kerstening gebracht hebben: Willibrord, Bonifatius, Servaas en Adelbert. Het creëert een religieuze sfeer waarin kerkgezinden zich thuisvoelen.
Dat men na een misviering in een stemmige ruimte kan napraten, elkaar bemoedigen, troosten, ondersteunen of gewoon ervaringen kan delen, is een gemeenschapsvormend element bij uitstek. Men voelt zich daar opgenomen in een groep die vanuit een christelijk perspectief openstaat voor iedereen. In Engeland spreekt men dikwijls over ‘a church community’ en ‘a community in faith’ waar mensen zich geborgen en gedragen voelen en waarin ze actief meewerken.
Het is niet abnormaal dat het christendom en specifiek het katholicisme zich leent om mensen samen te brengen aan tafel. Voor de Duitse moraaltheoloog Michael Rosenberger is het katholicisme de maaltijdreligie bij uitstek omdat geen enkele andere religie het ‘laatste avondmaal’ van haar grondlegger steeds weer opnieuw in elke misviering centraal stelt.
In 2014 schreef Rosenberger een boek Im Brot der Erde den Himmel schmecken waarin hij het breken van het brood tijdens de eucharistie ziet als voorproefje van de hemelse maaltijd. In elke misviering zegt de voorganger net voor de communie toch ook ‘Zalig zij die genodigd zijn aan de maaltijd des Heren’. Het breken van het brood is voor de Kerk van essentieel belang, zei Rosenberg enkele jaren later daarover in een interview met Tertio, want zonder die broodbreking houdt de Kerk op Kerk te zijn.
Misschien hebben ze dat met de ‘Gabriëlontmoetingen’ op zondagmorgen in de crypte van het dekenaal centrum op de Markt in Wetteren goed begrepen en laten ze daarom een vers ontbijt aanrukken als voorbereiding op de eucharistie later op de voormiddag.
Nu is de eucharistie oorspronkelijk wel het avondmaal bij uitstek. We spreken op Witte Donderdag nu eenmaal over ‘het laatste avondmaal’. En lang geleden waren er eens twee leerlingen op weg naar een verder gelegen dorp. Onderweg kwamen ze een man tegen die hen vroeg waarover ze zo druk in gesprek waren. Ze vertelden hem wat er in Jeruzalem gebeurd was met Jezus de Nazarener, maar ze vertelden ook dat er drie dagen na zijn dood een paar vrouwen hen in war gebracht hadden door te zeggen dat zijn lichaam niet meer in het graf lag en dat Hij weer leefde. De nog onbekende man zei toen tegen die twee leerlingen dat ze onverstandig waren en traag in hun geloof. Maar nog steeds wisten ze niet wie die man die hen vergezelde, eigenlijk was. Pas toen ze Hem vroegen om met hen in Emmaüs te overnachten en Hij daar bij het avondmaal het brood nam, de zegen uitsprak en het brood brak, gingen hun ogen open.
De eucharistie, het breken van het brood, het samen rond de tafel van de Heer zitten, is voor Rosenberger niet alleen een van de oudste elementen uit de theologie, het is volgens hem tevens een voorproefje van de hemelse maaltijd waar alle gelovigen ooit aan zullen deelnemen. Rosenberger pleit dan ook om het stoffelijk aspect van het sacrament van de eucharistie opnieuw aantrekkelijker te maken en in plaats van een smakeloze hostie vers gebroken brood aan te bieden zodat de gelovige reeds een glimp van de hemelse maaltijd mag opvangen. Hoe Rosenberger dan een communie voor enkele honderden mensen praktisch in zijn werk ziet, blijft echter een open vraag.
Nederland dat zich graag het ‘Gidsland’ noemt, bouwt al eens een ‘huiskamer’ aan de kerk om na de eucharistie samen als geloofsgenoten na te praten. Dat is alleszins aangenamer dan rond je kerk noodgedwongen een veiligheidsluifel te moeten optrekken. De Gabriëlontmoetingen bieden vóór de eucharistie dan weer een ontbijt aan. In Engeland werken vele parochianen in kleine ‘communities in faith’. En in september gaan we als Gabriëlparochie na de misviering opnieuw met enkele honderden mensen samen naar het parochiefeest in de ruime eetzaal van het Sint-Gertrudiscollege. Hoe verscheiden al deze initiatieven ook mogen zijn, telkens wordt het gemeenschapsvormende aspect van een geloofsgroep aangewakkerd en voelen wij ons op een of andere manier thuis in ons geloof.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 23
PINKSTEREN
Vlam van liefde, hoop die ons doet leven,
hoor ons lied, een lofzang uit ons hart.
Gij, de bron van vred'en eeuwig leven,
laat ons veilig voortgaan aan uw hand. (Hymne voor het Jubeljaar 2025)
Verbinden wij het Pinksterfeest niet met vuur?
'Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette.' (Handelingen 2,3)
Durven wij geloven dat ook aan ons het Pinksterwonder kan gebeuren?
Dat onze tongen - vol van vuur - Gods lof zingen?
Dat wij over Hem niet kunnen zwijgen, niet in woord en niet in daad?
Pinksteren wordt gezien als het geboortefeest van de Kerk. Misschien zit er wel wat sleet op dat geboortefeest … terwijl een geboorte toch altijd naar nieuw leven verwijst?!
Dat doet dromen, geeft nieuwe energie!
Wat een stille kilte in onze kerken, als we dat vergelijken met bv. christelijke gemeenschappen in Afrika, Zuid-Amerika en Azië. We zijn altijd gecharmeerd door hun aanstekelijke zang en dans. En oké, wij zijn westerlingen en wat stijfjes. Maar als wij samenzijn met onze (klein)kinderen, dan blijven wij toch ook niet stilzitten.
Mocht daarvan eens wat meer zichtbaar zijn in onze bijeenkomsten, wat jong enthousiasme, misschien verleren we dan ook het zagen en klagen over alles dat er niet is en leren we kijken naar wat wel mogelijk is.
Het evangelie van Pinksteren is ook niet mis te verstaan. Johannes (14,15-16.23b-26) vertelt als volgt (in een bewerking van C. Leterme - Bijbel in 1000 seconden):
Jezus zei tot zijn vrienden:
‘Als jullie van Mij houden,
doen jullie wat Ik belangrijk vind.
Ik zal de Vader vragen
jullie een Helper te geven.
Iemand die altijd bij jullie zal zijn. (...)
Wie van Mij houdt,
zal naar mijn woorden luisteren.
Dan zal mijn Vader van hem houden
en mijn Vader en Ik zullen bij Hem gaan wonen.
Wie niet van Mij houdt,
luistert niet naar mijn woorden.
Die woorden zijn uiteindelijk niet van Mij,
maar van de Vader die Mij gezonden heeft.
Dat wilde Ik jullie zeggen,
terwijl Ik nog bij jullie ben.
De Heilige Geest die de Vader in Mijn naam zal zenden,
die zal jullie helpen en alles leren.
Die zal jullie alles laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb.'
Kan Jezus' Woord ons inspireren om de heilige Geest in ons dagelijks bestaan toe te laten?
Leven vanuit de Heilige Geest houdt in dat je je laat leiden door Zijn aanwezigheid en door Zijn kracht.
Het betekent dat je keuzes maakt en beslissingen neemt op basis van Zijn leiding, in plaats van op basis van je eigen verlangens of angst. De heilige Geest kan je helpen om God te kennen, om goed te onderscheiden wat goed en wat kwaad is, en om te groeien in geloof en liefde.
En 'HOUDEN VAN' is de basis, het leidmotief, de rode draad, het begin en het einde.
Zoals Jezus ook zei (Johannes 15,12):
Dit vraag Ik van je:
hou van elkaar, zoals Ik van jullie hou.
De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan tonen,
is dat hij zijn leven voor hen geeft.
Kennen we de gaven van de Geest nog?
GEDULD - GOEDHEID
VREDE - VREUGDE - VRIENDSCHAP
ZACHTMOEDIGHEID - ZELFBEHEERSING
(In deze volgorde kan je ze gemakkelijk memoriseren …)
Het zijn bijzonder edele woorden, waarden, wegwijzers om naar te leven.
Met ons vormsel mochten we dat alles ontvangen.
Aan ons nu om er vruchten (van de Geest) van te maken.
Een zalig Pinksteren!
Wies Merckx
Frontartikel week 22
Hemelvaart van de Heer
Hemelvaartsdag, een vrije dag midden in de week, is een uitgelezen kans om een fietstochtje te maken. In dit jubeljaar zou dit bij voorbeeld kunnen gaan naar een pelgrimsplaats in ons eigen dekenaat. Bij een eerste bezoek zijn veel mensen verrast, omdat ze niet wisten dat zo’n sprekende plaats zo dichtbij was.
Bergenkruis
Deze plaats ligt in Destelbergen, achter kasteel Succa, langs een mooie laan, waar geen auto’s rijden. Hemelvaart is de dag bij uitstek van deze stille plaats. Honderden mensen passeren er op die dag om er wat te vertoeven of een kaarsje aan te steken met een intentie. Om 16.00 u. is er een eucharistieviering in openlucht, waarbij de hoge bomen zachtjes ruisen boven de hoofden.
‘Bergenkruis’ is de naam van deze mooi plek midden in het groen. Het sierlijke kruis en de veertien staties eromheen zijn de voorstelling van wat is gebeurd op Goede Vrijdag. De Heer Jezus werd door de mensen verworpen, veroordeeld en gedood. Op deze wandaad van de mensen kwamen van godswege drie antwoorden. Het eerste was Pasen, Jezus’ opwekking uit de dood, het tweede was de hemelvaart, de verhoging van Jezus aan Gods rechterhand, het derde de uitstorting van de heilige Geest.
Het credo
Sommige gelovigen valt het moeilijk zich bij dit tweede antwoord, de hemelvaart van Jezus, iets voor te stellen. Onze geloofsbelijdenis geeft echter een hint die helpt om de betekenis ervan te vatten. Zij zegt: “hij zit aan de rechterhand van God, zijn almachtige Vader”.
De rechterhand van God, dit is natuurlijk niet letterlijk te nemen. God is niet lichamelijk en heeft dus geen rechterhand. Het is een beeld uit onze wereld om iets te zeggen over God. Zonder beelden kunnen wij niet spreken over Hem. ‘Zitten aan de rechterhand’ wil bij ons zeggen: zitten op de ereplaats.
Het credo belijdt: de gestorven en ten leven gewekte Jezus is overgegaan van de plaats waar wij zijn naar de plaats waar God is. Misschien al te eenvoudig gezegd, Hij is van plaats verwisseld; vanuit onze wereld is Hij overgegaan naar Gods wereld. Daar bekleedt Hij de ereplaats.
Rechterhand
Maar er is nog meer! Waarom spreekt de geloofsbelijdenis over die nieuwe plaats van Jezus als de rechterhand van God? Wat is een hand, een rechterhand? Onze handen zijn de ledematen waarmee wij werken, waarmee wij de wereld hanteren, waarmee wij alles kunnen doen. Ze zijn de instrumenten van onze macht.
Gods rechterhand is de hand waarmee Hij te werk gaat, de macht waarmee Hij alles gemaakt heeft en alles in standhoudt. Dit is de belijdenis van het geloof: de macht waarmee Hij alles bestuurt, heeft God overgedragen aan de verrezen Jezus. Die vernederde, door de mensen verworpen Jezus heeft alle macht ontvangen! De verrezen Jezus is niet alleen uit de dood gered, Hij is bekleed met heerschappij.
In de parabel van de verloren zoon zegt de vader op het einde tot de oudste zoon: “alles wat van mij is, is van u”. Dat is wat de hemelse Vader zegt tot Jezus in de hemelvaart: alles wat van Mij is, is van U. Of zoals Paulus in de tweede lezing zegt vandaag: Hij is gesteld “hoog boven alle heerschappijen, machten en krachten en hoogheden”.
In de wereld zijn er vele hoogheden en machten die ons regeren. Maar sterker dan al die machten is de macht van Hem die Gods almacht heeft ontvangen. Hoeveel machten er ook zijn die ons overheersen – de politieke machten, de economische en financiële machten, de machten van media en reclame – de enige machthebber die het credo kent, is Hij die zit aan Gods rechterhand. Hoeveel geluk en heil al de hoogheden van de wereld ons ook beloven, het ware geluk is alleen te verwachten van Hem die uit de dood is opgestaan en ten hemel opgenomen.
Waar is dit te zien?
Jezus, verheven tot Heer boven alle machten, dat is de belijdenis van dit feest. Maar waar in de wereld is deze heerschappij van Jezus te zien? Zij is nog maar weinig te zien. Zij is te zien in al die mensen die leven uit Gods liefde. Zij is te zien in al diegenen die hun handen inzetten om zijn koninkrijk op te bouwen, in al die handen die zich engageren om de wereld op te bouwen in liefde en gerechtigheid.
Niet toevallig is Hemelvaartsdag het feest van de christelijke arbeiders, het feest van diegenen die hun handen willen uitsteken om Jezus’ koningschap zichtbaar te maken. Rerum Novarum heten zij hun feest, wat wil zeggen: van een nieuwe wereld.
Deze maand was het vormsel van de twaalfjarigen. Het zouden ook hun handen kunnen zijn. Zich laten vormen wil precies zeggen zich engageren om een dienst voor God en de mensen te vervullen. Daartoe werd hun door de vormheer de handen opgelegd en ontvingen zij de Heilige Geest. Mochten zij - en mochten wij - in staat zijn, met zijn kracht in dienst te staan van de ene, ware Heer.
Jos Verstraeten
Frontartikel week 21
Processie Sint-Macharius, een anker van hoop
Nu ga ik - bij wijze van spreken - vloeken in de parochiekerk van Laarne wanneer ik zeg dat Sint-Macharius niet de bekendste heilige van de heiligenkalender is. Uiteraard kunnen niet alle heiligen, zoals de heilige Petrus, Paulus, Gabriël, Marcus of zelfs de heilige Bavo, even bekend zijn. Dat Sint-Gertrudis evenmin tot het rijtje bekende heiligen behoort, kan al een troost wezen. Maar eigenlijk heeft dat geen belang. Want elke lokaal gevierde heilige is en blijft voor de plaatselijke geloofsgemeenschap een Anker van Hoop.
De heilige Macharius wordt aanroepen om ons te beschermen tegen besmettelijke ziekten, vroeger de pest, nu ziekten zoals Covid. Volgens de heiligenkalender wordt de heilige Macharius gevierd op 8 mei, de dag waarop het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt herdacht. Dus toch wel een eervolle plaats. Volgens andere bronnen zou Macharius op 2 januari gevierd worden. Dat is onmiddellijk na 1 januari, de dag waarop de Kerk officieel Maria als de ‘Moeder van God’ viert. Ook niet slecht.
Macharius zelf was bisschop van Antiochië, maar stierf in 1012 als monnik van de Gentse Sint-Baafsabdij. Zoals we vorig jaar reeds vermeld hebben, zou er volgens de overlevering, aldus historicus en Laarnenaar, Eric Balthau, in de twaalfde eeuw in Laarne een mirakel gebeurd zijn waarbij men de hulp van Sint-Macharius had ingeroepen. Een verdronken meisje dat weer tot leven kwam, zou daarna door haar ouders naar de Sint-Baafsabdij gebracht zijn om het mirakel te verkondigen.
Wat er toen juist gebeurd is, weten we niet exact, maar wat we wel zeker weten, is dat sinds het einde van de zestiende eeuw, de processie van Sint-Macharius in Laarne uitgaat. Eric Balthau is hiervoor nogmaals onze gids wanneer hij verwijst naar de kerkrekening uit de jaren 1574-1576 waarin de eerste schriftelijke vermelding van de processie genoteerd staat. Een reliek van de heilige Macharius werd enkele decennia later, in 1611, door bisschop Karel Maes van het toen nog jonge bisdom Gent, op vraag van de toenmalige pastoor van Laarne, Jan Schatteman, aan de kerk van Laarne geschonken.
We treden dus op pinkstermaandag, dit jaar op 9 juni, opnieuw in die eeuwenlange voetsporen van al diegenen die ons in de Machariusprocessie zijn voorgegaan. Er wordt tijdens deze processie halt gehouden aan een zestal kapelletjes die langsheen het parcours staan. Deze kapellen worden door devote vrijwilligers doorheen het jaar onderhouden en speciaal voor de processie versierd. Bij elk van deze kapelletjes wordt een inhoudelijke bezinning aan de hand van een korte bijbeltekst gehouden.
De samensteller van deze teksten heeft zich dit jaar geïnspireerd op de boodschap van Hoop zoals Paus Franciscus zaliger die voor dit Jubeljaar beschreven had. Die boodschap zouden we kunnen samenvatten met de zeer aansprekende leuze dat we allemaal ‘Pelgrims van Hoop’ zijn.
In zijn pauselijke bul, afgekondigd als ‘Spes Non Confundit’ of ‘De hoop stelt niet teleur’, deed Franciscus een oproep aan alle christenen om als volwaardige christenen in het dagelijkse leven te staan. Daarbij wou hij de mogelijke tegenstelling tussen spreken en handelen opheffen. Dat brengt altijd wat onrust met zich mee omdat de mens door het evangelie dikwijls wordt opgeroepen om uit zijn comfortzone te treden en zich telkens naar de andere, naar de medemens te keren.
Op basis van deze boodschap heeft de samensteller van het tekstboekje voor deze processie bijbelteksten en bezinningsteksten gekozen die telkens een appel doen op de manier waarop een christen in de wereld staat. Thema’s zoals ‘Vrede voor de wereld als teken van hoop’, ‘Hoop voor mensen die gedwongen worden om oorlog en discriminatie te ontvluchten’, ‘Jongeren als hoop voor de toekomst’, ‘Zorg voor de schepping’ komen aan bod.
Met een processie verlaat men letterlijk het kerkgebouw en treedt men als gelovige naar buiten. We geven tijdens deze tocht langsheen de velden en door de prachtige Kasteeldreef het geloof ook letterlijk handen en voeten. In het Engels noemt men zo een tocht ‘a journey of faith’, een weg, een traject dat je geloof kan versterken. Als processiegangers leggen we getuigenis af van het Christen-zijn omdat we, zoals Paus Franciscus dat verwoordde, allemaal ‘Pelgrims van Hoop’ zijn.
We vestigen onze hoop op een rechtvaardig en goed leven, met zorg voor de andere en de omgeving. En als christen vestigen we tevens onze hoop op de eindbestemming van elke mens. Wijlen pastoor Wim van Avermaet, heeft in 1990, naar aanleiding van de restauratie van de kerk in Laarne, daarvoor het wondermooie woord ‘Hemelheimwee’ gebruikt. De mens die steeds heimwee heeft naar zijn uiteindelijke bestemming. Een processie kunnen we als een levende teken van dat hemelheimwee beschouwen.
De processie in Laarne wordt reeds eeuwen van generatie op generatie doorgegeven. De aloude Sint-Machariusgilde staat garant dat deze mooie traditie niet verloren gaat. Traditie en geloof, volkse feesten en persoonlijke uitingen van geloof, vullen in Laarne op pinkstermaandag elkaar aan en zorgen ervoor dat het innerlijke vuur, de kern van deze processie nooit zal doven. Sint-Macharius blijft immers een Anker van Hoop.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 20
Proficiat aan onze vormelingen !!
Vorig weekend werden in onze vier kerkplekken een 115 meisjes en jongens gevormd door Monseigneur Dirk Smet.
Tijdens de vormselliturgie strekte de vormheer zijn handen uit over de vormeling en bad hij om de Heilige Geest.
Bedankt aan de vormheer voor zijn begeesterde woorden.
Bedankt aan deken Yvan, de catechisten en al wie op één of andere manier een steentje bijdroeg om de vieringen tot een mooi feest te maken.
Proficiat aan de vormelingen, hun ouders, meters en peters en de familie.
Frontartikel week 19
Meimaand, Mariamaand
Het staat mij nog steeds in het geheugen gegrift: ik was 14 toen ik met een groep mensen naar Lourdes reisde in Frankrijk. Onderweg op de trein hoorde ik verhalen van pelgrims, die al 15 keer in Lourdes waren geweest. Eénmaal aangekomen zag ik grote groepen mensen van overal, die kaarsen kwamen branden, die kwamen bidden en danken, die hulp of troost zochten. De warmte van de vele kaarsen rond de grot en het water van de bron zijn herinneringen, die bijblijven.
Traditioneel staat de meimaand gekend als Mariamaand. Dat Maria nog altijd een bijzondere vrouw is tonen de vele kaarsen, die in de kerken aan haar beeld worden aangestoken. Loop maar eens binnen in een kerk of een kapel bijna altijd branden er kaarsen bij het Mariabeeld. Het zal in deze meimaand niet anders zijn. Maria is een lieve vrouw, daarom noemen wij gelovigen haar ‘Onze Lieve Vrouw’.
In de volksdevotie neemt Maria een belangrijke plaats in. Als moeder van Jezus kennen we haar als een diepgelovige, eerlijke, troostende en zorgzame vrouw. Mariaverering gebeurt op verschillende manieren. Zou er op de wereld een vrouw zijn van wie er meer portretten zijn geschilderd of beelden gebeiteld zijn? We beschikken over een schat aan Marialiederen: ‘Liefde gaf u duizend namen’, ‘Hoge vrouwe in de hemel’, ‘Magnificat’, ‘Avé Maria’, ‘Lieve vrouwe van ons land’…. Hoeveel vrouwen kregen niet een voornaam, die afgeleid is van de naam Maria: Maaike, Marieke, Mieke, Maartje, Mimi…
Maria kreeg overal veel lof. Vroeger vond je bij iedere boerderij wel een kapelletje, zag je in heel wat huizen aan de voorgevel een nis met daarin een Mariabeeld en in heel wat tuinen werd een Mariagrot gebouwd. In de meimaand zal dit alles er terug piekfijn uitzien, want waar men gaat langs Vlaams wegen komt men u Maria tegen…
Vroeger vond men Maria op zoveel plaatsen terug, je kon geen huiskamer binnengaan of er stond een Mariabeeld op de schouw te pronken. Bij mijn mémé en pépé stond het beeld van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen op de schouw. Ik zie het nog voor mij: Maria gehuld in een blauwe mantel met het kindje Jezus op haar arm. Bij een ziekte of tegenslag in de familie werd het beeld van de schouw gehaald, enkele kaarsen errond en samen met onze mémé weesgegroetjes bidden… het was als kind toen eigenlijk niet mijn favoriete bezigheid… Nu koester ik het beeld als warme herinnering aan mijn grootouders. Bij mijn ouders was het al iets ‘deftiger’, we spraken niet meer over de woonkamer maar over de living en Maria stond er onder een glazen stolp, gehuld in fraaie kledij van mijn moeders hand. Aan de muur keek Maria je toe ingekaderd in glas. Ook deze kleinoden zijn een dankbare herinnering en doen mij soms verpozen bij ons ‘Lieve Vrouwken’. Want ook al is het de afgelopen jaren stiller geworden rond Maria, in nood keert men vaak terug bij Maria zijn zorgen en verdriet. Tijdens iedere cruciale match van mijn ploegsken, brand ik kaarsjes en toen het vorig jaar uitzichtloos was plaatste ik een Mariabeeldje in het midden… u kent of kent de afloop niet… we werden kampioen…
Volksdevotie en folklore hoor je dan wel eens. En toch is er meer: getuigt zo een houding niet van een geloof en vertrouwen, dat niet te noemen of te verklaren is? Maria blijft voor veel mensen een voorbeeld van hoop en vertrouwen, van nabijheid, troost en hoop. Hoop die ieder van ons in zijn leven zo nodig heeft… zonder hoop kan je niet leven… Zoals kinderen zich tegen hun moeder aandrukken om bescherming en genegenheid te vinden, zo kunnen ook wij naar Maria toegaan, want als vrouw en moeder zal ze steeds dicht bij ons staan. Maria is een moeder die ook haar kind op zijn lijdensweg blijft volgen. Maria liet zich door niemand bang maken of wegjagen. Stil en vanop de achtergrond volgde ze Jezus’ doen en laten. Op belangrijke momenten was ze er steeds bij. Als Jezus’ kruisweg begint wijkt ze geen meter van zijn zijde, ze blijft Hem trouw tot op het einde. Na al dat lijden en die pijn toont Maria ons dat ze een dappere en moedige vrouw is. Als na Jezus’ dood de apostelen zich angstvallig verstoppen, is zij diegene die hen samenroept en zegt wat hen te doen staat.
De meimaand is een maand vol beloften. Het is de maand van ontluikende meiklokjes, met zonovergoten dagen, met langere avonden. Nu in deze maand de lente volop doorbreekt, de zon warmte geeft en alles volop groeit en bloeit is dit misschien een uitgelezen moment om naast alle moeders ook Maria in de bloemen te zetten. Bewaar in jullie hart een plaatsje voor Maria. Brand een kaarsje voor haar en kom tot rust. Laat deze bijzondere vrouw opnieuw tot leven komen. Ook al is haar beeld verbannen naar de zolder haal het terug tevoorschijn en laat oude tradities verder leven. Ieder van jullie kan met zijn of haar vragen terecht bij Maria. Maria die als een moeder luistert naar onze stem en weet wat er in ons leeft. Zoals een moeder haar kinderen beschermt zo zorgt Maria voor ons met al haar moederlijke tederheid en liefde. Dat Maria al zovele eeuwen een plaats krijgt in het leven van velen hoeft ons niet te verwonderen. Mag deze meimaand ons terug helpen om haar te begroeten… ik wens het jullie van harte…
Hilde Renneboog
Frontartikel week 18
Op bedevaart gaan
Een plek van rust, bezinning, stilte
Wanneer je de betekenis van een bedevaart opzoekt vind je dit. Het is een reis of een tocht naar een plaats waar een heilige of een bijzondere gebeurtenis wordt herdacht. Veel gelovigen hopen daar een goddelijke zegen te krijgen of om tot bezinning te komen. Velen doen dit ook om God in hun leven op het spoor te komen of simpelweg over het leven na te denken.
Waarom gaan mensen anno 2025 nog op bedevaart ? Wat drijft hen ? Wat zoekt men bij Maria of een andere heilige. Is het traditie of ?
We vroegen het aan enkele van onze parochianen.
Ik interviewde Rita en Myriam toen we enkele weken geleden samen de stoelen in de kerk stofzuigden. Hun antwoord:
Vroeger toen ik, als 12-jarige, met mijn grootouders naar Lourdes ging, was ik onder de indruk van de massadevotie in de ondergrondse basiliek.
Nu heeft het eerder iets persoonlijks. Je gaat op bedevaart omdat je op de ene of andere manier iets beloofd hebt. Het is een tijd voor bezinning, een soort retraite. Ik kom daar tot rust en ben ontroerd als aan de grot kom. Ik kan er nog stil worden.
Het geeft een gevoel van samenhorigheid, verbondenheid.
Lucienne De Wispelaere en Linda De Neve verwoorden het zo:
Op bedevaart gaan kregen we mee met onze opvoeding. Zo gingen wij met de allereerste auto op bedevaart naar Lourdes, Frankrijjk
Mijn herinnering hieraan is, de avondprocessie met kaarsen.. Mensen uit al die verschillende landen, die hetzelfde Marialied zongen. Ook de vele mensen in rolstoelen of op brancards, die daar smeekten om genezing, staan in de herinnering.
Bedevaarten naar Kortrijk, met de bus, ter ere van broeder Isidoor en Oostakker stond elk jaar op het programma. Telkens vooral mensen die een gunst wilden bekomen..
Nu beseffen we, dat je niet enkel moet bidden om een gunst, maar dat we ook dankbaar moeten zijn voor wat we kregen en krijgen. We moeten maar even de TV of Radio opzetten om te merken hoe goed wij het hier hebben en dat dankbaarheid hier vooral op zijn plaats is.
We gaan jaarlijks op bedevaart naar Lourdes Oostakker met de Gabriëlparochie van Laarne Wetteren. We doen dat in groep met de fiets. ’t Is niet ver, maar het voelt als even helemaal weg. De fysieke inspanning geeft extra waarde aan het aankomen.
Op tocht naar Lourdes Oostakker is voor ons een bijzondere ervaring. Het is een plek van rust, bezinning en hoop. De serene sfeer rond de grot maakt indruk, het is vaak de menselijke kant die raakt: de verhalen, de zorg voor elkaar, de hoop, de stilte en gedeelde menselijkheid. Even vertragen en bewust stilstaan bij wat écht telt.
Maria krijgt een kaarsje van ons moeder die dit jaar 100 wordt en wij een momentje voor onszelf. We zingen in het koor tijdens de viering de oude gekende Vlaamse Marialiederen, de sfeer is warm, de mensen zijn open en vriendelijk.
Een wafel, een ijsje en iets om te drinken en we kunnen er weer tegen om terug naar huis te fietsen met een hart dat net iets lichter voelt. Bea en Luc De Schrijver-De Vreese
Wat mij aanspreekt om op bedevaart te gaan naar Oostakker, of naar een ander bedevaartsoord, is het feit dat mensen al biddend samen onderweg zijn. Echt bede vaarten. Dat repetitieve van bidden, halthouden, bidden… geeft een zekere rust en schept verbondenheid. Ik ga mee op bedevaart omdat dit mij van kleins af aan is meegegeven: mei-maand is Maria-maand. En ik brand steevast een kaars bij het beeld van Onze Lieve Vrouw. Soms met een persoonlijke intentie maar iedere keer uit dankbaarheid. De gezamenlijke eucharistieviering in de basiliek versterkt die verbondenheid. En de wafel achteraf, die mag er ook zijn!
Nicole Verstraeten
Als we met WZC St.-Jozef op bedevaart gaan, probeer ik altijd mee te gaan. In het ‘genadeoord’ ben je nooit alleen. Bedevaartsoorden zijn van alle tijden. Je hoeft niet devoot christen te zijn zijn om er er heen te gaan. Er heerst een zekere aantrekkingskracht om als gelovige bij Onze Lieve Vrouw te gaan. We groeten bij aankomst Maria in de grot waarna de ommegang volgt: de blijde en droevige mysteries. Maria van Nazareth is voor ons nu ‘Dé’ voorspraak, zij spreekt voor ons ten beste bij haar zoon Jezus. Zij voelt en lijdt mee met ons als het mis gaat. Zij steunt ons waar het kan. Na zo veel vroomheid en rechtvaardigheidsgevoel in solidariteit en gezelligheid wachten ons de pannenkoeken of andere lekkernijen. Ook dat behoort bij bedevaarten.
Lucia De Meyer, WZC St.-Jozef.
Op bedevaart gaan is voor mij even tot rust komen.
Bidden voor mijn gezin, familie en vrienden .
Samen met vrienden op stap gaan en mij verdiepen in ons geloof.
Genieten van de sfeer tijdens de rondgang van de kruisweg en daarna een mooie en (emotionele)eucharistie viering mogen bijwonen!
Als afsluiter genieten van een lekker kopje koffie.
Rosette
Op bedevaart heb ik aan de grot van Lourdes-Frankrijk mogen ervaren dat je niet alleen staat met je zorgen en verdriet, maar dat je er de kracht krijgt om verder te gaan.
Als groep op bedevaart gaan, elk met zijn eigen redenen, om te vragen, om te danken, om…. is ook genieten van het samenhorigheidsgevoel, samen bidden, samen vieren, te genieten van een gezellige babbel, een terrasje doen.
Ik heb al veel bedevaarten mogen meemaken en telkens geniet ik die verbondenheid, van de vriendschap en van de vele mooie momenten samen.
Chris Mottar
Reeds lang voelde ik me aangetrokken door de Camino. Massa’s voorgangers gingen en gaan nog steeds over diezelfde oude wegen. En het culturele en het sportieve aspect van de tocht waren voor mij de belangrijkste argumenten om eens uit de drukke mallemolen te stappen. Een maand lang enkel de weg volgen, fiets onderhouden, kleren wassen, eten, rusten en terug het pad gaan...Enkel aangevuld door fotografie, schrijven van de dagelijkse blog en ontmoetingen met andere mensen die op weg zijn. O ja, ik kwam mezelf wel eens tegen, en dat was ook verwacht. Maar: de weg is het doel. De indrukken die de tocht maakten waren zo hevig dat ik 2 jaar later langs een andere weg alweer naar Compostela trok. De rust die over me neerdaalde tijdens de 30- daagse tocht probeer ik af en toe nog terug “vast te grijpen”.Het helpt om de waan van de dag te relativeren, en controle te bewaren.
Hendrik De Grieve
Bedankt
voor jullie open getuigenis.
EDK
Frontartikel week 17
Cijfers zijn niet altijd heilig
Toen ik nog eens aanwezig mocht zijn op een vergadering van onze parochie - wat altijd een heuglijk moment is - kregen we van diegene die de vergadering leidde een mooi document voorgelegd. In dat document stonden enkele opvallende gegevens. Wist u dat onze parochie, de Gabriëlparochie Laarne-Wetteren (Laarne, Kalken, Wetteren, Kwatrecht, Massemen en Westrem), ongeveer 38.000 inwoners telt? Toch zou, volgens datzelfde document, de parochie slechts 1,5 procent van deze inwoners bereiken.
1,5 procent van 38.000 betekent dat de parochie amper 570 mensen zou bereiken. Het is bijna het omgekeerde van de parabel van het verloren schaap uit Lucas 15, waarin de Herder op zoek ging naar dat ene verloren schaap. Volgens de cijfers uit het document zou de parochie echter - bij wijze van spreken - op zoek moeten naar 98,5 procent van de (verloren) schapen. Ze zullen werk hebben om die te vinden!
Dat de parochie slechts 1,5 procent van de inwoners zou bereiken, is misschien gebaseerd op toevallige tellingen van aanwezigen tijdens een viering. Kan men dergelijke cijfers echter gebruiken om aan te geven hoeveel mensen een parochie bereikt? 1,5 procent lijkt op een karikatuur van de werkelijke uitstraling van een parochie en van het aantal mensen dat door priesters, diakens, medewerkers, vrijwilligers en verenigingen bereikt wordt.
Cijfers en statistieken over de Kerk zijn geen gegevens zoals men die aanlevert voor een exacte wetenschap. Ze zijn wel nuttig en kunnen bepaalde noodzakelijke en bestuurlijke beslissingen onderbouwen, maar we moeten ons afvragen vanuit welke invalshoek men het geloof wil bekijken en welke cijfers men daarvoor gebruikt. In het ‘Kerk-zijn’ is soms de gemeenschap prioritair, op andere momenten van de geloofsbeleving staat het individu centraal.
Dat de wekelijkse kerkgang sinds de jaren 1950 achteruitgegaan is, is voor iedereen duidelijk. Dat kunnen we niet ontkennen. Volgens de cijfers van het UCSIA (Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen), gepubliceerd in de bundel De Kerk in Vlaanderen (2022), blijkt dat in België (Vlaanderen, Wallonië en Brussel samen) in 2018-2019 gemiddeld 2,6 procent van de bevolking nog wekelijks naar de misviering gaat. Voor Vlaanderen alleen was dat percentage nog ongeveer 4 procent ook al zal dat percentage ondertussen en zeker na corona nog gedaald zijn.
Er staan echter nog andere cijfers in dat rapport. Zo gaf het onderzoek naar een brede ‘Kerkbetrokkenheid’ een ander beeld. De categorie van mensen die positief staan tegenover de katholieke Kerk en af en toe een viering bijwonen zoals op Hoogdagen, ligt beduidend hoger dan 1,5 of zelfs 4 procent. Deze groep onregelmatige kerkgangers schommelt nog steeds rond de 11 procent. Dat scheelt al een slok op een borrel!
Daarnaast zijn er de ‘Randkerkelijken’ of diegenen die zich sociologisch en cultureel nog tot het katholicisme bekennen zonder echter actief deel te nemen. Zij komen nog occasioneel in contact met kerkelijke activiteiten. De Britse godsdienstsociologe Grace Davie - what’s in a name – poneerde in 1994 haar stelling ‘believing without belonging’. Ze verwees hiermee naar mensen die nog intuïtief geloven, zich katholiek voelen, maar die zich niet meer met de Kerk verbonden voelen. Ook dat is nog een aanzienlijke groep van mensen die soms op een andere manier met een parochie in contact komen.
Met bovenstaande gegevens in gedachten, is het betwijfelbaar dat een parochie slechts 1,5 procent van de mensen zou bereiken. Denken we maar aan het toedienen van de initiatiesacramenten zoals het doopsel en het vormsel. Dat brengt nog steeds hele families in contact met de Kerk. Een kerkelijk huwelijk is voor velen een gelegenheid om een extra spirituele dimensie te ervaren. En kerkelijke begrafenissen zijn in dat verband diensten buiten categorie. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat de kerk dan afgeladen vol zit, dat men moet rechtstaan. Zijn dat allemaal gelovigen? Hoogstwaarschijnlijk niet, maar op dat moment heeft men een volle kerk aan wie men de verrijzenisliturgie kan aanbieden. Dit is een gelegenheid par excellence om te verkondigen!
In de diaconie en in het bezoeken van rusthuizen, zieken, scholen, verenigingen en individuen kan het bereik zeer intens zijn. Bovendien zijn er zoveel parochieactiviteiten ingericht door allerlei verenigingen, jeugdbewegingen, kringwerkers, gezinnen en door tal van individuen die meer mensen bereiken en raken dan we denken.
Kardinaal De Kesel heeft ons gewezen op de secularisatie en het katholicisme als de culturele religie van vroeger. Maar hij heeft er telkens op gewezen dat we ons niet mogen laten leiden door een cijferfetisjisme.
Alleen al door de uitstraling van het religieus erfgoed dat centraal in de woonkernen aanwezig is en dat voor iedereen openstaat, kan men mensen bereiken. In de Kerk staat de deur figuurlijk, maar dikwijls ook letterlijk altijd open voor wie op een bepaald moment toch wenst aan te sluiten.
Cijfers zoals een bereik van 1,5 procent zouden elke medewerker een depressie kunnen aanpraten en laat dat nu net het tegenovergestelde zijn waar de Kerk voor staat. Cijfers zijn voor de kooplui in de tempel en we weten wat Jezus daarmee gedaan heeft. Zelfs met vijf broden en twee vissen kon Hij, los van alle cijfers en rekenkunde, een hele menigte te eten geven. Dat is nu net het geloof!
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 16
Met Pasen zijn de engelen daar weer!
Met Pasen komen toch niet de engelen, maar wel de klokken terug uit Rome. En dat klopt, want we hebben de klokken drie dagen niet meer horen luiden en hoe kunnen anders al die paaseieren weelderig in de tuin gegooid worden. Wat was ons kinderlijk Rooms geloof toch eenvoudig en verstaanbaar. Eens we wat ouder werden, zei ons verstand dat het zo niet in zijn werk ging. Denk nu niet dat we als volwassenen het allemaal wel verstaan. ‘Geloof’ en ‘verstaan’ zijn twee aparte werelden. Ook met Pasen gebeurt er iets dat ons logisch verstand te boven gaat. Opmerkelijk is dat er op zo’n cruciale momenten telkens engelen uit de hemel komen om ons een en ander te vertellen.
Naargelang de verslaggever van dienst waren er met Pasen één of twee engelen aanwezig bij het lege graf. Bij Marcus, de soberste der evangelisten, is die engel reeds aanwezig wanneer de vrouwen bij het graf toekomen. Bij Matteüs gaat het er wat theatraler aan toe, want daar ontstond een aardbeving toen de engel, stralend als een bliksemschicht, uit de hemel neerdaalde en de steen wegrolde. Bij Lucas en Johannes zijn er telkens twee engelen, in wit gewaad. En allemaal zeggen ze, zoals dat bij engelen steeds het geval is, ‘vrees niet’, wees niet bang.
Waarom zouden de vrouwen bij het graf bang geweest zijn? De reden daarvoor ligt voor de hand. Jezus was op vrijdag aan het kruis gestorven en in het graf neergelegd. Voor de ingang van het graf werd een zware steen gerold. Toen de vrouwen op zondagochtend naar het graf kwamen, was niet alleen die immens zware steen weggerold, het graf zelf was leeg. Had men het lichaam van Jezus geroofd? Dat lijkt nogal onwaarschijnlijk, want men had wachters aan het graf geplaatst die pas bij het zien van de engelen wegvluchtten. Of hadden de Romeinen en de farizeeërs voordien het graf leeggemaakt uit schrik dat het een bedevaartsoord zou worden? Maar de impact van Jezus binnen dat groot Romeins imperium was op dat moment nog verwaarloosbaar.
Het enige wat we uit de evangelies weten, is dat het graf ondanks de zware steen en de wachters, leeg was en dat er één of twee engelen aan dat graf zaten. Er moet dus iets bovennatuurlijks gebeurd zijn. En dan komen er telkens engelen uit de hemel om ons iets duidelijk te maken. Dat mocht Maria al ondervinden toen de engel Gabriël haar kwam vertellen dat ze zwanger zou worden door toedoen van de Heilige Geest. Toen Jozef haar wilde verstoten omdat ze zwanger was van ‘Iemand’ anders, kwam er in zijn droom een engel die hem toch maar op andere gedachten bracht. En met Kerstmis stond er plots in het open veld een engel in glorierijk licht om de herders op de hoogte te brengen dat God geboren was. In de literatuur zou men het gebruik van die engelen als een literair motief omschrijven dat de auteur in die omstandigheden inzet.
Hebben de leerlingen van Jezus, de apostelen en de vrouwen, gezien hoe Jezus uit de doden is opgestaan? Hebben ze Hem zien verrijzen? Neen. Het enige dat ze hebben gezien, is een leeg graf. Daar moeten we het als gelovigen mee stellen. En toch is dat lege graf, zoals diaken Luk Thomas van de Emmaüsparochie het vorig jaar met Pasen zo treffend verwoordde, juist de ruimte voor geloof. Net zoals we geloven dat die bovennatuurlijke God op Kerstmis op onze menselijke wereld is gekomen, zo geloven we dat Jezus die zowel God als mens was, met Pasen verrezen is, ook al hebben we enkel een leeg graf dat in de werkelijkheid niets bewijst. Maar juist omdat het niets bewijst, aldus nog Luk Thomas, vormt het de ruimte voor het geloof.
Er is buiten de evangelies geen enkele historische bron die over de verrijzenis van Jezus bericht heeft. Geloven is daarom vertrouwen in datgene wat we met ons menselijk verstand niet kunnen uitleggen of bewijzen, maar dat ons toch een betekenisvol antwoord geeft op de vragen waarom wij hier als mens zijn.
Het geloof in de verrijzenis is daarenboven een teken van hoop. Ons bestaan op aarde is eindig. Dat is de wet van de natuur. Maar is het leven, wanneer we sterven en begraven worden, dan definitief gedaan? Als christenen voelen wij het einde van het aardse leven zo niet aan. We hebben door het lege graf een teken gekregen dat er een perspectief is op een eeuwig leven.
Hoe dat eeuwig leven eruit ziet, kunnen we ons als mens niet voorstellen. En toch willen we daar voortdurend over spreken. De mens is nu eenmaal een ‘taaldier’ met een aangeboren taalvermogen. We creëren verhalen en voorstellingen. We maken er iets mooi van zoals we Jezus meestal met lang mooi gekamd haar voorstellen. Ook al kunnen al die menselijke voorstellingen niet aan de werkelijkheid beantwoorden, het wil niet zeggen dat ze geen betekenis kunnen hebben voor de mens.
Met Pasen vieren we - net zoals met Kerstmis - in aanwezigheid van de engelen dat er meer is dan onze aardse realiteit. Met de verrijzenis vieren we tevens de overwinning op de dood. We krijgen een hoopvol perspectief op een eeuwig leven ook al kunnen we ons als mens dat alleen maar proberen voor te stellen. Maar vrees niet, want wanneer er engelen in de buurt zijn, gebeurt er altijd iets goed. En finaal zijn het toch de engelen die ons ooit zullen begeleiden naar het paradijs!
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 15
Dag van de aarde
Dag van de aarde is een jaarlijks evenement op 22 april dat in teken staat van de milieubescherming. De eerste dag van de aarde dateert al van 1970. Ja ook in mijn kinderjaren waren we al bezig met het behoud van een betere wereld, en dit is het gevolg van het groeiend ecologisch bewustzijn door de bestseller van Rachel Carson uit 1962.
Op deze dag worden wereldwijd activiteiten opgezet, die tot doel hebben mensen bewust te maken van het bijzondere van de aarde en het leven daarop. Op deze dag wordt op een positieve wijze aandacht gevraagd voor de wereldproblematiek rondom natuur, milieu en klimaatverandering.
In een wereld vol onzekerheid over de toekomst verlangen mensen naar positieve initiatieven, de dag van de aarde is zo een initiatief. Op deze dag wil men ons bewust maken van de waarde van de aarde en voor al het moois dat de natuur ons te bieden heeft.
Als ik aan de natuur en de aarde denk, brengt mij dat naadloos bij het scheppingsverhaal. In één van de allereerste Bijbelverhalen leren we dat God de aarde en alles dat erop leeft met veel liefde en aandacht heeft geschapen. Je zou kunnen zeggen dat Hij er zijn hart en ziel ingelegd heeft, zoals ik mijn hart en ziel kan leggen in het zorgen voor mijn kleinkinderen, in het spelen van een alweer nieuwe toneelrol of in het supporteren voor mijn ploegsken. Zo heeft iedereen van ons wel iets dat we met hart en ziel doen.
Toen het werk van God voltooid was heeft Hij de aarde in handen gegeven van ons mensen om er zorg voor te dragen, haar te verzorgen en te koesteren met hart en ziel.
Anno 2025 wordt steeds duidelijker dat wij daar als mensen niet bijster goed in geslaagd zijn. Als we zien wat er rondom ons allemaal gebeurt, mogen we besluiten dat de aarde ziek is, heel ziek zelfs. Je kan gerust stellen dat de zieke in een kritieke toestand verkeert…Het wordt dringend tijd dat onze ‘zieke’ terug gezond wordt, maar wat is het behandelingsplan…?
Een goede zorg voor onze zieke zou alvast een goed begin zijn, maar soms kijken we weg en vinden we het makkelijker om het aan de anderen over te laten… Van veel berichten over onze zieke patiënt worden we niet vrolijker… Mag ik zo vrij zijn een paar symptomen op te sommen…? De opwarming van de aarde gaat sneller dan gedacht en de gevolgen zijn steeds meer zichtbaar. Het weer wordt extremer, waardoor we steeds met meer hittegolven worden geconfronteerd of met overstromingen. Soms valt er op één dag zoveel regen als anders in een hele maand. Dan is er ook nog de zeespiegel, die alarmerend blijft stijgen, zijn er diersoorten die verdwijnen, er is de vervuilende industrie en er zijn de bergen plastic in onze oceanen… Onze zieke kraakt en zucht… wordt steeds maar zieker en heel wat specialisten fronsen het hoofd… en sommigen zijn zich van nog geen kwaad bewust. Herinneren jullie je nog de beelden uit de film van de ‘Titanic’. Het schip gaat ten onder, het water loopt volop binnen en op het benedendek verdrinken mensen als ratten, maar de rijken op het bovendek blijven rustig verder dansen alsof er niks aan de hand is…
Goede zorg voor onze ‘zieke’ is nu heel belangrijk. Onze hebzucht en economie van steeds maar meer ambitie hebben onze ‘zieke’ enorm uitgeput. Iedereen zou het beter krijgen, welvaart voor allen; hiervan zien we nu de schaduwkanten. We plegen roofbouw op onze ‘zieke’, op Gods schepping. Klimaatproblematiek blijven aankaarten en een goede zorg voor de schepping is heel belangrijk! Om de zieke te laten genezen zullen we heel concrete en duurzame keuzes moeten maken. En het zullen niet altijd gemakkelijke keuzes zijn, want wij vinden het niet altijd fijn als anderen zich hiermee bemoeien, we moeten immers al zoveel. Duurzaam denken is één ding maar duurzaam leven dat gaat ons soms te ver. Het wordt dringend tijd dat we allemaal opnieuw wakker worden en beseffen dat de aarde en alles wat daarop leeft een heel kostbaar geschenk is. Een geschenk dat we niet zomaar kunnen weggooien, maar dat we moeten blijven koesteren als iets heel kostbaars. Alleen zo zal onze ‘zieke’ stap voor stap terug gezond worden.
Heel wat wetenschappers verkondigen in een hoog tempo, dat we onze leefwereld onleefbaar maken. Soms denken we is er nog een toekomst…? Zijn wij niet zelf de oorzaak van een ‘Apocalyps’…? Misschien moeten we terug leren tevreden zijn met dat ietsje minder, het consumeren net iets anders gaan bekijken. Deze veertigdagentijd roept ons op tot soberheid en matigheid. Misschien is dit ook de juiste aanpak om de ‘zieke’ te laten herstellen en genezen… een deel van het behandelingsplan. Minder vliegvakanties naar verre oorden, minder dingen kopen. Je hoeft niet altijd alles aan te schaffen en overal heen te vliegen. En hoe doen wij het in het klein, op ieder fietstochtje zie ik wel ergens lege verpakkingen en frisdrankblikjes langs de kant van de weg. Voor korte afstanden nemen sommigen nog altijd liever de auto… Ach denken we dan het is maar één druppel op die hete plaat… maar allemaal samen één druppel wordt vaak een malse regenbui… Misschien is er voor onze ‘zieke’ dan terug hoop op een nieuwe toekomst en op een andere wereld en loopt het niet verder uit de hand… kijk omhoog, kijk vooruit… en blijf hopen… ik wens het jullie van harte…!
Frontartikel week 14
Verzoening vieren
Een jubeljaar is vanouds een jaar waarin herstel en verzoening centraal staan. Het is dan ook een uitgelezen kans om het sacrament van boete en verzoening te herontdekken. In zijn brief ‘Spes non confundit’, waarmee hij het jubeljaar aankondigde, schrijft paus Franciscus:
‘Het sacrament van de verzoening is niet alleen een spirituele kans, maar ook een onmisbare stap op onze geloofsweg. Daarin staan wij de Heer toe onze zonden uit te wissen, ons hart te genezen, ons op te richten, ons te omhelzen en ons zijn tedere en barmhartige gelaat te tonen. Er is geen betere manier om God te leren kennen dan ons door Hem te laten verzoenen en zijn vergeving te ervaren. Laten wij daarom de schoonheid van dit sacrament van genezing en vreugde herontdekken.’ Onderstaande leidraad laat zien hoe het sacrament van de verzoening beleefd kan worden als een positieve, bevrijdende viering.
Wat eraan voorafgaat
Een waarachtige viering van het sacrament veronderstelt dat je erkent dat je tekort bent geschoten in de liefde tot God en tot je medemens, dat je daar spijt van hebt en dat in je hart het verlangen leeft naar een nieuw begin. Je kan je wil tot bekering laten groeien in je hart door een evangelie van de veertigdagentijd te overwegen. Het helpt om te luisteren naar de innerlijke stem van je geweten en om van daaruit God te vragen om vergeving.
Begroeting door de priester
De viering begint met een kruisteken, dat priester en gelovigen samen maken. Vervolgens nodigt de priester met enkele eenvoudige woorden uit om je open te stellen voor Gods barmhartigheid en je tekorten aan Hem toe te vertrouwen.
Gods woord beluisteren
Vervolgens nodigt de priester uit om samen te luisteren naar een stukje uit de Schrift. In een individuele biecht kan je zelf de passage voorstellen die je hebt gelezen als voorbereiding. In een gezamenlijke biechtviering luisteren de aanwezigen samen naar een voorlezing. De Schriftlezing, individueel of gezamenlijk, richt de aandacht op Gods liefde en barmhartigheid. Wat in het sacrament van de verzoening eerst komt, is niet de belijdenis van de zonden, maar de verkondiging van Gods geduld met de mens.
Je zonden belijden
Na het beluisteren van Gods woord volgt de zondenbelijdenis. Zonde heeft altijd te maken met onze relatie tot God: zonde is wat het liefdesverbond tussen God en de mensen kwetst. We durven erkennen waar we zijn tekortgeschoten, omdat we juist mogen vertrouwen op Gods vergeving en bereidheid tot verzoening. In de gemeenschappelijke viering kunnen allen samen de algemene schuldbelijdenis uitspreken (Ik belijd voor de almachtige God …). In de individuele belijdenis kan de biechteling zijn concrete tekorten bekennen of zeggen: Ik beken dat ik tekortgeschoten ben in liefde tot God en de naaste.
De priester zal in antwoord op wat hij beluisterde, je aansporen tot het vertrouwen dat je door de kracht van Christus’ verrijzenis opnieuw mag beginnen. Hij kan je daarbij een werk van herstel voorstellen om het verlangen naar een nieuwe start concreet te maken. Dit kan een gebed zijn, bij voorbeeld de traditionele akte van berouw of het Onze Vader of een ander gebed, als bij voorbeeld: “God, Gij komt mijn zwakheid tegemoet. Wek in mij de vreugde van een nieuw begin en doe mij leven naar uw geboden.” Maar het kan ook een daad zijn dienstbaarheid of goedheid.
Vrijspraak krijgen
Dan volgt het kenmoment van de viering: in naam van Christus en de Kerk spreekt de priester Gods vergiffenis over je uit. Hij strekt daarbij zijn handen uit boven je hoofd – een gebaar van zegen – en maakt op het einde een kruisteken. Met een Amen kan je het absolutiegebed beamen.
Dank zeggen
De viering van de verzoening is begonnen met gebed, ze eindigt er ook mee. Nadat de biechtvader je de verzoening heeft aangezegd, nodigt hij de biechteling afzonderlijk of de gelovigen samen uit om met een psalmvers de barmhartigheid van God te belijden. Hij zegt: “Loof de Heer, want Hij is goed.” De biechteling antwoordt met het vervolg van de psalm: “Eeuwig duurt zijn trouw”. Tenslotte word je op weg gezonden met dit bemoedigend woord: “De Heer heeft uw zonden vergeven. Ga in vrede.” Verzoening en vrede: dat is de uiteindelijke bedoeling van de biecht.
Met een dankbaar hart kan je nog een tijd terugblikken op je ontmoeting met de Heer. Het vraagt soms tijd om de vreugde van Gods vergeving volledig te laten doordringen. Je kunt eventueel ook nog een gebaar stellen, door naar de doopvont te gaan en een kruisteken te maken met het doopwater: het sacrament van de verzoening is een vernieuwing van je doopsel. Gods vergeving heeft je hart rein gewassen en nieuwe toekomst voor je geopend. Je kunt weer volop leven van de vreugde van het evangelie!
Interdiocesane Commissie voor Liturgie
Frontartikel week 12
Ik zou een vlieg willen zijn
Ik kreeg vanuit Broederlijk Delen de kans om naast een Zuid-Amerikaans land, Colombia, ook Oeganda te bezoeken. Samen met 17 andere tochtgenoten ging ik van 11 tot 28 juli 2017 op inleefreis. Het is ondertussen al acht jaar geleden.
Deze reis heeft niet alleen mijn cultuur verruimd maar ik heb heel veel respect gekregen voor de boeren uit Oeganda en voor partners van Broederlijk Delen die met hen werken.
Na mijn inleefreis schreef ik dit verslagje.
De parel van Afrika, zoals men Oeganda noemt blijkt een andere realiteit te zijn als we vanuit het zuiden richting zuid-westen rijden. Een mooie groene omgeving afgewisseld met dorpjes waar veel leven is maar waar de huisjes de grootte van een doorsnee keuken zijn en waar Verko veel werk zou hebben om de resten van de plaatselijke markt weg te werken.
Onderweg in Mahyora brengen we een bezoek aan COSIL, een partnerorganisatie van Broederlijk Delen.
We ontmoeten daar Grace en haar familie. Een sterke dame die via het allerarmstenprogramma van COSIL stappen zet voor een betere toekomst en in 2018 het campagnegezicht was van Broederlijk Delen. Meteen het échte leven, een beklijvend bezoek.
Zaterdag rijden we bijna gans de dag naar het Rwenzorigebergte in het westen van Oeganda. Gedurende enkele dagen is Fort Portal onze thuisbasis om daar de partners van Broederlijk Delen te bezoeken.
We bezoeken de drie partnerorganisaties : KRC, Satnet en Jese. Elke partner heeft zijn eigen programma om de boeren te sensibiliseren en ondersteunen rond duurzame landbouw en de klimaatverandering. Sterke vrouwen en mannen met een visie.
Vier dagen gaan we in duo’s naar ons gastgezin in Kibito. Via een hobbelige rode weg komen we aan het huisje van Deo en Margret en negen kinderen waarvan er nog vijf thuis zijn.
Mijn gastheer, Deo, rusht door het leven als een Muzungu (blanke), zoals hij zelf zegt. Hij gaat als gevormde boer door KRC van de ene vergadering naar de andere, werkt in zijn bananenplantage, ondersteunt zijn vrouw waar hij kan, maakt bananenwijn. De vorming die hij kreeg geeft hij door aan andere boeren. Het moto van de boerengroep: geloof en hard werken. Ze hebben heel veel vertrouwen in God en vinden dat ze niet geboren zijn om arm te blijven. Sterke figuren.
Zijn vrouw, Margret, werkt van ’s morgens tot ’s avonds in de keuken. Lees een hok in steen van 3 op 2, iets verwijderd van het huis, met een kooksteen aangevuurd door hout en een schap gemaakt van hout uit het bos.
De kinderen hebben elk hun taak in het huishouden (de 3 meisjes meer dan de 2 jongens).
Deo neemt ons mee op de boda boda (brommer) naar de plaatselijke markt in Kibito waar de boeren hun zelfgekweekte groenten en fruit verkopen tegen een voor ons belachelijk lage prijs. Sommigen verkopen niet alleen in hun dorpje maar trekken ook buiten de regio. Langzaam groeit de handel.
Met enige trots brengt hij ons ook naar het plaatselijk gezondheidscentrum waar een materniteit met couveuse en een polikliniek is ondergebracht. Allemaal vrij primitief maar heel proper.
We zagen boeren met power. Geloof, hard labeuren en samenwerken is hun moto.
We zagen Deo met dromen die de komende jaren door KRC verder zal ondersteund worden. Hij wil de productie van de bananenwijn verder uitbouwen, een centrum bouwen waar hij andere boeren kan opleiden.
Alles gaat, met ondersteuning van de partnerorganisaties van BD, langzaam vooruit.
Nu 8 jaar verder zou ik een vlieg willen zijn hoe Deo, Margret, de kinderen en de boerengemeenschap verder door het leven gaan. Is Deo er in geslaagd om via biodiversiteit voldoende gewassen te kweken om te verkopen, heeft hij de andere boeren kunnen overtuigen om aan agro-ecologie te doen.
Dit jaar staat naast Burundi en Burkina Faso ook Oeganda terug centraal en worden de boeren door de partnerorganisaties van Broederlijk Delen nog goed opgevolgd.
Dit jaar volgen we de boer Patrick. Via een overheidsprogramma kreeg hij enkele jaren geleden gratis pesticiden. In eerste instantie leken ze goed te werken. “Ik hoefde minder te wieden en er was minder kans op plagen,” vertelt de boer. “Het maakte het werk voor mij eenvoudiger.”
“Maar na enkele jaren merkte ik dat de insecten, die mijn koffieplanten nodig hebben, verdwenen waren. Nadat de oogst het eerste jaar was toegenomen, ging het de jaren daarna steil bergaf. De planten verwelkten en de grond werd levenloos. Uiteindelijk stierven honderden koffieplanten. En dat was niet zonder gevolgen want omdat de oogst te laag was en er weinig inkomen was, konden mijn kinderen niet naar school. Ik had er geen geld voor.”
. Patrick besefte dat er iets moest veranderen en hij volgde onlangs een training van COSIL (we bezochten de partner in 2017). De organisatie werkt rond agro-ecologie
Patrick vertelt: ‘Ik hoorde dat mijn problemen waarschijnlijk te maken hadden met het gebruik van synthetische pesticiden. Gelukkig leerde ik goede alternatieven kennen.”
“Ik merk dat veel andere boeren nog steeds kiezen voor chemische bestrijdingsmiddelen. Ze schuwen het extra werk, zonder dat ze een extra vergoeding krijgen als ze biologische koffie verkopen.”
Dankzij een opleiding van COSIL is de koffieplantage gered.
“Ik kreeg training om natuurlijke beschermingsmiddelen te maken, maar ook hoe ik compost en vloeibare meststof kan maken. Ik plantte nieuwe struiken en mijn plantages worden nu van dichtbij opgevolgd door COSIL. Ik merk vandaag het verschil: de grond is weer rijk en levend, en de planten geven elk jaar een grotere oogst.”
In een verslag van Broederlijk Delen las ik dit:
Uit een onderzoek bij boerenfamilies die via onze partners bereikt worden, werd duidelijk dat zij veerkrachtiger waren en minder voedseltekorten hadden dan gezinnen die niet door de partners bereikt werden.
En toch zou ik een vlieg willen zijn
EDK
Frontartikel week 11
Ode aan de vrouw
Op acht maart is het wereldvrouwendag. Deze dag is een feestelijke aangelegenheid, er wordt gevierd wat vrouwen thuis en over de hele wereld hebben bereikt.
Graag schrijf ik naar aanleiding van deze dag een ode voor één van de mooiste wezens van het universum: de vrouw!
Er zijn tegenwoordig bijna vier miljard vrouwen op de wereld. Iedere dag opnieuw doen velen van hen dappere, creatieve, aardige, slimme en hoopvolle dingen. Over de meesten van hen weten we niks, maar soms maken hun daden echt het verschil.
Geschiedenis is meestal een mannenzaak: verhalen over koningen en veroveraars, kerkleiders en presidenten, over mannen die oorlogen voerden en landen stichtten. Ze zijn allemaal de revue gepasseerd in onze lessen geschiedenis. Maar in de loop van de geschiedenis zijn er ook ontelbare vrouwen geweest, die grote en kleine overwinningen hebben behaald en meebouwden aan een hoopvolle toekomst. Bijzondere vrouwen wiens leven, werk en woorden ons kunnen inspireren om de wereld te verbeteren.
De twintigste eeuw was de eeuw van de vrouw. Het was de eeuw waarin vrouwen hun nek uitstaken, hun tanden lieten zien en op alle mogelijke manieren opkwamen voor hun rechten. Stemrecht, het recht om te studeren en een job uit te oefenen danken we aan deze vrouwen, die een eeuw geleden baanbrekende veranderingen in gang hebben gezet.
Maar mijn ode aan de vrouw is niet alleen een ode aan bekende vrouwen. Ik wil ook een ode brengen aan al die ‘gewone’ mensen, die als vrouw door het leven gaan. Je kent ze vast in je naaste omgeving: je moeder, zus of vriendin, je buurvrouw of collega… of je bent er gewoon zelf ééntje. Van al die doodgewone vrouwen kunnen we veel leren. Alles wat vrouwen doen kan niet zomaar als ‘gewoon’ afgedaan worden.
Moeders, dochters, zussen, vriendinnen in hun ogen schitteren verhalen… ze breken muren af en bouwen bruggen… ze reiken elkaar de hand!
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zijn zo netjes en zo zacht, hoe ze dat doen weet niemand.
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zien zo veel, de schoonheid in de kleinste dingen.
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zijn zo communicatief, ze praten over van alles en nog wat.
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zijn zo zorgzaam, ze zorgen overal voor.
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zijn zo sterk, ze lopen een hele dag met een handtas om hun schouder en dragen met gemak vier winkeltassen in één hand.
Moeders, dochters, zussen en vriendinnen ze zijn zo noodzakelijk want anders sterft de mens uit…!
Als wij iemand kunnen aanduiden die ons het leven helpt dragen, zijn zij het wel: de moeder, de zus, de vriendin, de vrouw. Geen enkele mens ter wereld zou bestaan zonder de vrouw en de moeder! Met haar eigen lichaam laat de vrouw het kind in haar groeien en éénmaal het geboren is blijft ze er voor zorgen een leven lang!
Dat zorgen ging niet altijd vanzelf. Als we pakweg een 125 jaar teruggaan: in die tijd was alles minder rooskleurig dan nu. Het leven van de vrouw was helemaal voor haar uitgestippeld. Het ging van trouwen naar zwanger worden, kinderen krijgen en zorgen voor de kinderen en het huishouden. Vrouwen gingen niet buitenshuis werken, stemmen of studeren was not done. Uiteindelijk hadden vrouwen er genoeg van en kwamen op voor hun rechten. Dat leidde tot veel goeds. Elke vrouw heeft een verhaal, elk verhaal is anders. Toch hebben wij vrouwen iets met elkaar gemeen, iets wat ons samenbrengt en verbindt. Het is onze kracht te blijven doorgaan en dankbaar te zijn voor allen, die hiervoor ‘gevochten’ hebben.
Sinds kort heb ik er een hobby bij… Samen met enkele familieleden zijn we op vraag van mijn broer aan het grasduinen in het verleden. We willen een familiestamboom maken. En ja je kan het al raden het zijn vooral de vrouwen, die vol overgave aan het opzoeken zijn… de mannen kijken toe vanaf de zijlijn… Wat bij mij aarzelend begon is uitgegroeid tot een echte verslaving. Ik vond al voorvaderen terug tot in het jaar 1700.
Ik heb tijdens mijn zoektocht al één ding ontdekt: voor gewone burgers was het leven toen hard en soms schrijnend. Vrouwen die in een korte tijdspanne tien kinderen kregen en er daarvan soms geen vijf zagen opgroeien, dat was de doodgewoonste zaak van de wereld. Zo ontdekten we dat er in het gezin van onze pépé liefst elf kinderen waren… drie ervan werden geen drie jaar… mijn pépé werd geboren in 1903 en daarna kwam nog een zus en moeder stierf in 1906… De oudste zus was al gehuwd, een zus van 19 nam de zorg van nog zeven levende kinderen en de boerderij op haar, want ook vader stierf enkele jaren later. Het was en is een verhaal waar we heel stil bij werden. De zus van mijn pépé is 90 jaar mogen worden. Ik citeer heel kort iets van haar bidprentje: ‘door het vroege verlies van haar moeder was ze als oudste in het gezin verplicht de moederlijke taak op zich te nemen, zij heeft zich geen rust gegund, zij was bekommerd om vele dingen en begaan met het wel en wee van het gezin’. De zus van mijn pépé staat in geen enkel geschiedenisboek vermeld, ook al heeft ze daar volgens mij meer dan haar plaatsje verdiend… een doodgewone vrouw zoals zovelen… daarom koester de vrouwen in jullie omgeving, neem hen niet als vanzelfsprekend maar zorg voor hen en draag hen op handen… ze zijn het meer dan waard… ik wens het jullie van harte…!
Hilde Renneboog
Een huzarenstuk
Restauratie Madonna met Kind
Acht jaar geleden vonden medewerkers van de kerkfabriek in Massemen een onbekend schilderij op de zolder van het klooster. In een boek van heemkundige Karel François lazen ze dat het om een anoniem kunstwerk gaat, uit de tweede helft van de zeventiende eeuw.
Volgens François is het “heel waardevol”, en zou het ooit in de kerk van Massemen hebben gehangen. Madonna met Kind was in zeer slechte staat en zwaar beschadigd
Drie restaurateurs noemden het onrestaureerbaar. Machteld Callewaert (57) uit Brakel waagde zich aan de restauratie maar had er heel veel werk.
Machteld twijfelt of het heel waardevol is maar volgens haar is detechniek, de anatomie, de compositie zeer goed. Dit werk is helemaal niet stuntelig gemaakt. Vooral de handen en de voeten zijn heel goed geschilderd.
Madonna met Kind hangt ondertussen terug in de kerk van Massemen.
Niet enkel de restauratie was een huzarenstuk maar ook het ophangen in de kerk.
Frontartikel week 10
Na de blijdschap volgt de vasten
Amper twee maanden na de blijdschap, de gezelligheid en de vrede van Kerstmis, laten we op woensdag 5 maart een askruisje op ons voorhoofd zetten. We zitten dan plots in de vastenmodus. Die vastenperiode zal veertig dagen duren en eindigt met Palmzondag, de intocht van Jezus in Jeruzalem. De joden hebben zich toentertijd serieus verkeken op de komst en de intocht van hun zogenaamde koning en redder. Al dat palmgezwaai en hosannagezang mondde namelijk uit in een verschrikkelijk passieverhaal over lijden, foltering en kruisdood. Vrolijk worden we in de vasten niet.
In kerstperiode daarentegen bereiden we ons met graagte gedurende vier weken voor op de geboorte van Jezus. We brengen het gezin en de familie samen en kopen cadeaus voor iedereen. Het is de dag waarop we met ‘the near and the dear ones’, zoals John Lennon het zong, het leven, de vrede en de hoop vieren. We versieren een kerstboom en hangen een adventskrans op die beiden met hun groene kleur het leven uitdrukken. Week na week steken we een kaars aan als symbool voor het aankomende licht. 25 december is immers de dag van de winterzonnewende, de dag waarop het zonlicht opnieuw aan kracht wint.
In de periode voor Pasen dompelen we ons echter onder in schuldbewustzijn. Met het toedienen van het askruisje zegt men immers: Gij zijt stof, en tot stof keert gij terug. Dat is een citaat uit het Oude Testament waarin men over de zondeval spreekt. Adam en Eva worden uit het paradijs verbannen omdat ze gezondigd hebben en ze krijgen een niet mis te verstane boodschap mee: In het zweet zult gij werken voor uw brood tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt gekomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug. (Genesis 3, 19) Dat is geen hoopgevende boodschap.
De vastenperiode wordt gekenmerkt door onthechting, nietigheid, boete en introspectie alsof het kwaad zich in ons leven heeft genesteld. In de vroegchristelijke tijd was er binnen het christendom een stroming die men het ‘gnosticisme’ noemde. De aanhangers daarvan zochten een eigen verklaring voor het kwaad in de wereld. Zonder in detail te treden over deze leer, die door de kerk als ketterij werd aanzien, hechtten de aanhangers toen veel belang aan lichamelijke onthechting als boetedoening tegen het kwaad. Soms tot in het absurde.
Enkele jaren geleden gaf Herman Van Rompuy tijdens de vastenperiode hier in Kerk en leven tegengas door te zeggen dat iemand die zich te veel beladen voelt met schuldgevoelens, er niet kan zijn voor de andere. Volgens Van Rompuy moeten we zelfs met onthechting voorzichtig omgaan. Zich aan iets of iemand hechten is volgens hem namelijk een menselijke behoefte. Een beetje positief zelfvertrouwen is zelfs een noodzaak. Er is volgens Van Rompuy evenmin een probleem met het nastreven van materiële welvaart. Zelfs het uitoefenen van macht kan goed zijn tenminste indien het gebeurt voor een hoger doel. ‘Zelfzucht’ daarentegen noemt hij een kwaal. Daarvan moeten we ons leren onthechten.
Dat we ons tijdens de vasten bewust mogen worden van de menselijke vergankelijkheid, dat we de hoogmoed, de zelfzucht en de ijdelheid in vraag mogen stellen, is in deze periode op zijn plaats. Of dat veertig dagen moet duren is een andere vraag. Maar zoals voor veel andere zaken in het liturgisch jaar, zijn we nog steeds gebonden aan de Joodse kalender en de getallensymboliek uit het Oude Testament.
Is het in de vastenperiode voor Pasen dan alleen maar kommer en kwel?
Gelukkig heeft men in die lange periode een pauze ingelast. Op de vierde zondag van de vasten zingen we de Latijnse intredezang Laetere wat ‘verheug u’ betekent. Met Laetere verwijst men dat we halfweg zijn en dus tijd om ons te verheugen. De priester mag op die zondag zelfs een roze kazuifel dragen, de vermenging van paars en wit. Het wit van de vreugde.
En vreugde zal er zijn omdat er drie dagen na de kruisdood opnieuw engelen uit de hemel komen die zullen vertellen dat Christus verrezen is. Ze zeggen dat niet met zoveel woorden, maar tonen enkel het lege graf. Ze zeggen aan de vrouwen dat ze Christus niet onder de doden moeten zoeken. Hij zal daarna in zijn volle goddelijke status aan zijn leerlingen verschijnen en ten hemel varen.
Op Pasen worden we geconfronteerd met iets dat we op het eerste gezicht niet goed kunnen plaatsen. Met Pasen is niet de lichamelijke dood van Jezus het belangrijkste, maar wel zijn verrijzenis. Zoals met de geboorte van Jezus, gebeurt er ook met Pasen iets van bovennatuurlijke aard.
Er is een leeg graf, de vrouwen zien een of twee stralende engelen en de wachters lopen uit schrik weg. De apostelen geloven de vrouwen zelfs eerst niet.
Misschien is die lange vastenperiode daarom nog niet zo slecht om ons daar eens goed over te bezinnen zodat we aanvoelen wat Pasen voor ons kan betekenen, want zonder de verrijzenis is er geen hoop en geen perspectief op het eeuwig leven. En we zijn dit jaar toch allemaal ‘Pelgrims van Hoop’!
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 9
OVER DE PR0FEET JONA
En God had medelijden
Op 11 februari stond de vierde bijeenkomst gepland in het Bijbels Leerhuis. We zouden de tekst lezen van het boek Jona. ’s Morgens echter lag de wereld bedekt onder een dik pak sneeuw. Uit zorg voor de veiligheid van de deelnemers besloten we de bijeenkomst uit te stellen. We konden het boek ook thuis lezen. Het is heel kort, amper 48 verzen, en in zijn verloop gemakkelijk te volgen.
Het boek Jona vertelt geen historische gebeurtenis uit een lang vervlogen tijd. Het is een fictief verhaal als een parabel. Het spreekt over de tijd van de lezer en geeft richting voor de toekomst. Zo is de parabel een profetie. Hij werpt een licht, Gods licht, op het leven. Drie grote gedachten kunnen wij onderscheiden.
Heil voor de heidenen
De parabel kondigt heil aan voor de heidenen. Dat zij mogen binnentreden in het geloof van Israël, wordt geïllustreerd met twee gebeurtenissen.
Zeelieden, die eerder doorgaan voor ruw en ver van God, bekeren zich wanneer zij de stilling van de storm beleven. Zij erkennen dat de beschrijving die Jona van zijn God geeft, treft. Hij is de God van de hemel, die de zee en het droge heeft gemaakt. Zij erkennen deze God als de enig ware God, die alles in handen houdt. En zij weten dat erkennen ook doen moet worden. Ze brengen reeds op het schip een offer om God te danken voor hun redding. Bovendien, zij tonen zich vol eerbied voor het mensenleven. Pas op aandringen van Jona wagen zij het hem in zee te werpen, en tegelijk bidden ze om vergeving voor hun daad. In het geloof zijn zij heel menslievend geworden.
De tweede profetie van heil voor de heidenen, ligt natuurlijk in het verhaal van Nineve. Nineve was de hoofdstad van de Assyriërs, een brutaal krijgsvolk in het oude oosten. Bij de profeet Nahum wordt zij de bloedstad genoemd. De stad staat voor het inbegrip van alle slechtheid, waarvan de weerklank is doorgedrongen tot de hemel. Jona wordt uitgezonden om haar ondergang aan te kondigen. Maar het ongelooflijke geschiedt: de stad hecht geloof aan Jona. Het neemt aan dat er maar één God is, de God zonder meer, en niet hun goden. De inwoners vrezen het oordeel en doen boete om het oordeel af te wenden.
Nineve is het tegenbeeld van het zelfzekere Israël. Zelfs de koning van Nineve vernedert zich, hij staat van zijn troon op, legt alle waardigheidstekens af en gaat als boeteling neerzitten op de grond. Zijn koningsmacht gebruikt hij enkel nog om allen – mensen en dieren – een vasten op te leggen en te eisen dat ze breken met het kwaad. En inderdaad, God krijgt medelijden met hen en spaart de stad. Heil is er voor wie afdaalt uit zijn hoogmoed en Gods erbarmen aanneemt. Hier komt het Oude Testament dicht bij het evangelie.
Voorafbeelding van Jezus
Het boek Jona is ook te lezen als een voorafbeelding van Jezus. De Heer zegt dit uitdrukkelijk zelf. Als de joden Hem vragen om een teken dat Hij de Messias is, antwoordt Hij bij Matteüs: “Een slecht en overspelig geslacht verlangt een teken, maar geen ander teken zal hun gegeven worden dan dat van de profeet Jona. Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde.” Zijn dood en verrijzenis zijn het teken.
In de vertelling van het Oude Testament schijnt het paasmysterie van Jezus al door. Van Jona wordt driemaal verteld dat hij afdaalt. Hij daalt af naar de haven van Jafo, hij daalt af in het schip en in het schip zoekt hij de laagste plaats op in het ruim. Deze drievoudige afdaling is zijn poging om te ontkomen aan God. Jezus is diegene die uit liefde afdaalt, niet om te vluchten, maar om in het Nineve van de wereld te komen. Hij daalt af in de armoede van het mens-zijn, Hij daalt af in het water van de Jordaan om de zondaars gelijk te worden, en Hij daalt af in de onderwereld, in de dood. Het woord van Jona: “Gooi mij in zee”, wordt door sommigen uitgelegd als het zelfoffer van de profeet. Hij wilde niet de bekering van de heidenen en liet zich daarom in het meer werpen. Hij stelde zich in de plaats van de Ninevieten, laten ook zij maar ten ondergaan. Maar wonderlijk gered werd hij hun redder. Deze uitleg is in Jezus werkelijkheid geworden.
Beeld van Israël
In Jona schemert het geheim van Jezus door. Anderzijds is Jona ook de belichaming van het koppige Israël, dat zich verzet tegen het heil van de volken. Zijn uitverkiezing wil het met niemand delen. Jona kent God en weet dat zijn genade het ten slotte toch weer zal halen van het oordeel. Waartoe is zijn prediking van de ondergang nog nodig, als ze telkens door Gods goedheid wordt overspoeld? Hoe Jona dan zelf door God, heel fijn, ja humoristisch, tot bekering wordt gebracht, moet u zelf eens lezen in de laatste regels van het boek.
Jos Verstraeten
Frontartikel week 8
Christelijke liefde: de andere op de eerste plaats zetten
De vlakterede van Lucas wil voor ons een wake up call zijn. Christen zijn is niet een zaak van zoete woordjes. Integendeel een christen moet durven een streep trekken en opkomen tegen onrechtvaardigheid. Lucas wil ons laten voelen dat wat in de wereldse visie belangrijk is, tegen het licht van het Rijk Gods totaal in een ander daglicht komt. De zaligsprekingen zijn helemaal geen sussende woorden tot de arme mensen; de wee-uitroepen helemaal geen vervloekingen tot de rijken. Jezus zegt dat diegenen, die ervoor kiezen om Zijn leerlingen te worden, mensen zijn die innerlijk arm willen worden, en nu reeds tot het Rijk Gods behoren. Dat betekent dat Hij hen proficiat wenst, niet omdat zij uiterlijk arm zijn, wel omwille van hun innerlijke houding toch in de liefde te blijven leven, dankend, delend, dienend.
Af en toe doet het goed om aan deze ‘wake up call wat het betekent het christen te zijn’ te worden herinnerd. Vb. bij de inauguratie van President Trump toen de vrouwelijke bisschop Marianne Budde vroeg om genade en barmhartigheid voor de mensen die nu bang en machteloos waren… oa de LGBTQ beweging, de vluchtelingen, … ze schetste hoe diep onchristelijk de houding wel was t.o.v. deze medemensen die uitgebuit zovele dienst bewezen aan de Amerikaanse samenleving. Wetende dat president Trump zich net opwerpt als diepgelovige christen, toonde ze heel zacht aan hoe onchristelijk hij zich opstelde. Trump was geïrriteerd door dit sermoen en noemde haar later onbekwaam. Meer nog, hij eiste dat ze zich zou verontschuldigen.
Ook het anker van hoop kan ons als christen wakker schudden tijdens het Heilig Jaar. Dit anker wil allerlei plaatsen aandoen waar wij christenen verbonden met Jezus dienend in de samenleving aanwezig zijn.
Zo zal dit anker met ons meegaan op een sociale inleefdag met een klas vijfdes. Daar helpen deze zeventienjarigen mee in een woonzorgcentrum. Ik sta altijd versteld hoe intens deze ervaring is voor onze leerlingen. Ik citeer letterlijk uit een verslagje de volgende: het was een speciale dag van lachen tot denken en droevig zijn. Het was vermoeiend maar toch heel leerzaam. Ik heb geproefd van de ruwheid van dementie en ouderdom. Ik werd meegezogen in het verleden van een bewoner. Sommige bewoners waren afwezig en anderen heel vriendelijk: ik begrijp elke reactie. Elke emotie is normaal daar. Ik heb een enorme bewondering voor het personeel omdat ik al moe was na 1 dag.
In een wereld waarin de vergrijzing voor vele grijze haren zorgt bij onze beleidsmakers, kunnen dergelijke ontmoetingen wel tellen. De ouderen kunnen ons zoveel leren en vragen vanuit christelijk standpunt aan ons om begrip en mededogen.
Dit anker was ook mee met de vormelingen die voor een spel- en gespreksnamiddag trokken naar een woonzorgcentrum. Ontroerend was hoe een meisje uren aan een stuk UNO her uitlegde aan een paar bewoners die het niet allemaal meer op orde kregen. Ontroerend en hoopvol ook hoe twee jongens een gesprek aangingen met de vraag: hoe was je kindertijd? Mijn kindertijd… zo zei de dame, ik was een kleuter toen WOII uitbrak. Ons huis werd gebombardeerd en ik herinner me dat we de hele oorlog lang op de vlucht zijn geweest. We hadden geen onderdak. Veel honger geleden.
Kortom bij alles wat wij ondernemen niet onszelf naar voren schuiven, maar anderen laten voorgaan en voor hen ter beschikking te staan. Ik ben net terug van een driedaagse abdijbezinning in de abdij van Maredsous met laatstejaars leerlingen.. Een gesprek met een monnik leerde ons dat de essentie van het christendom is: door een diep Godsvertrouwen het accent altijd bij de ander leggen. In het kader van Valentijn benadrukte hij voor hen die al een liefje kennen: in een relatie staat de ander altijd centraal en op de eerste plaats. De lln werden er stil van.
Christen zijn, zo zegt het evangelie vandaag, is alert zijn in de wereld. Het vraagt om een weg af te leggen waarbij de andere altijd op de eerste plaats komt. Voor de vormelingen, jullie zijn op weg naar een bewuste keuze voor christen te zijn. Wij allen hier aanwezig, ook wij zijn onderweg als pelgrims van hoop en laten ons leiden doorheen de wereld. Ik wens iedereen op geregelde tijden een wake up call zodat de keuze voor christen te zijn een leven gevende keuze blijft.
Mieke Morlion
Frontartikel week 7
Houden van
Het is bijna Valentijnsdag, de dag van de liefde.
Ik hou van u, I love you, Je t’aime zijn waarschijnlijk woorden die wereldwijd het meest uitgesproken worden. Het zijn woorden die op mensen een merkwaardige uitwerking hebben. Miel Cools zingt erover in ‘Houden van’: ‘het is vaak niet bijzonder maar geen mens die zonder kan’. Liefde: het is een boek dat nooit uitgeschreven is, een lied dat nooit uitgezongen is, het is een melodie die steeds wordt herbegonnen.
Voor ik hierover verder schrijf, wil ik graag een televisiefragment, dat mij vorig jaar heel erg heeft aangegrepen, met jullie delen. In het programma ‘Dwars door de lage landen’ zagen we deze keer Arnout Houben en zijn team wandelen van het noorden in Nederland naar De Panne in België. Hun tocht zat boordevol ontmoetingen en prachtige verhalen. In één van de afleveringen ontmoet Arnout de laatste overgebleven pionier van Lelystad en ontdekt hij het verhaal van 69 jaar onvoorwaardelijke liefde. Hij is een kranige negentiger, maar het wordt echt aangrijpend als zijn hulpbehoevende vrouw voor de camera hun geheim deelt… als ze hen vragen wat hun geheim is van zoveel jaren samen zijn, antwoordt ze zonder aarzelen ‘dat is liefde, onvoorwaardelijke liefde…!’. Zelfs Arnout wist even niet wat zeggen… het deed mij terugdenken aan een eeuwenoud gezegde dat vroeger in heel wat huiskamers aan de muur hing: ‘daar alleen kan liefde wonen, daar alleen is het leven goed waar men stil en ongedwongen alles voor elkander doet’…
Als liefde zoiets kostbaars is kunnen we er maar beter behoedzaam over spreken, want het woord roept bij iedereen iets op dat zeer eigen is, gekleurd door goede en minder goede ervaringen.
Valentijnsdag vindt elk jaar plaats op 14 februari. De dag staat ook wel bekend als ‘dag van de liefde’. Het is een dag waarop koppeltjes elkaar een cadeautje geven: rode rozen, kaartjes, chocolade… alles wat rood en hartvormig is wordt die dag gekoesterd. Valentijnsdag is ook bij ons sinds midden jaren 90 een groot succes geworden. Het feest van de geliefden dat vooral in Amerika zeer populair is, heeft nu ook zijn weg gevonden naar Europa. De commercie probeert met succes het feest populair te maken. Met reclamefolders en mooie etalages willen winkeliers ons verleiden om onze geliefden die dag te verwennen. Cadeauwinkels, bloemenwinkels, boekenwinkels… velen profiteren ervan. En ook al is er veel kritiek hierover toch worden er velen ieder jaar opnieuw gelukkig van het concept alleen al. Chocolatiers, juweliers… iedereen zet zijn beste beentje voor… zelfs bij onze slager ligt er in de koeltoog na al het lekkers van kerst en nieuwjaar Valentijn paté, Valentijn salade… iedereen zet zijn beste beentje voor. In reclamefolders passeren de mooiste tafels vol kaarsen en feestelijke recepten. Ik vraag mij dan af: is Valentijnsdag alleen nog een feestdag die louter bestaat om de kassa te laten rinkelen..?
Wat kunnen wij als gelovigen nu doen met deze traditie, die zo weinig te maken heeft met de historische Valentius? Beschouwen we het als iets veel te commercieels en besteden we er geen aandacht aan? Maar is dit geen gemiste kans? Hebben we als gelovigen niet heel veel in huis om aan te sluiten bij het verlangen naar menselijke liefde?
Liefde ligt zo dicht bij het evangelie dat het kan en mag gevierd worden! Liefde geven en liefde ontvangen is essentieel in een mensenleven. De liefde die we terugvinden in het evangelie is iets van het allermooiste dat er is. Liefde troost, liefde geneest, zij bedekt wat is geweest. Alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij, ze gaat nooit voorbij! Zonder liefde zijn wij niks staat er in het evangelie. Zonder liefde zijn we geen goede ouders, geen goede kinderen, geen goede leraren, geen goede coaches, geen goede politici… en ga zo maar door. Als we niet spreken en handelen uit liefde voor elkaar, dan wordt het niks!
Liefde is eigenlijk het mooiste dat wij in een mensenleven kennen en het is dan ook nog gratis. Liefde kennen we in heel wat vormen. Misschien is het daarom het meest beschreven, bezongen of verfilmde onderwerp. We houden zoveel van de liefde dat we een hele dag wijden aan het vieren van alle liefde in ons leven. Is het niet raar dat we een aparte dag nodig hebben in ons drukke leven om elkaar te vertellen hoe dankbaar we iemand zijn, om tegen elkaar te zeggen dat we elkaar graag zien. En of het nu tegen je partner, je kind, een familielid is, op de dag van de liefde zal iedereen wel iets leuks of liefs tegen elkaar zeggen.
Mag ik nog even met jullie terugkomen op het commerciële? Waarom is het commercieel om één dag in het jaar in het teken te zetten van de liefde? Want liefde dat is het allermooiste dat er is! De liefde kan en mag gevierd worden op zoveel manieren.
Ook al kleurt straks op veertien februari alles rood en roze en vliegen de hartjes je om de oren. Ook al kan je niet ontsnappen aan het Valentijn bombardement en vind je net als heel wat mensen Valentijn commerciële onzin, vier de liefde!
De dag van de liefde de rug toekeren, no way!!! Er is niks verkeerds aan de liefde vieren. Laat die dag niet zomaar voorbijgaan, want we zijn nu éénmaal in de luxe positie dat de liefde kan en mag gevierd worden… een zalige Valentijn met al jullie dierbaren… ik wens het jullie van harte!
Hilde Renneboog
Frontartikel week 6
Wat gebeurde er toch in Lourdes?
Wat gebeurde er aan de grot van Massabielle op 11 februari 1858?
Massabielle is een dialectwoord voor ‘oude massa’ of ‘oude rots’. Het is de
naam van een rotsformatie even buiten het dorp van Lourdes waar op een
natuurlijke wijze een grot gevormd was van vier meter hoog, negen meter
breed en negen meter diep. Een meisje van veertien jaar, Bernadette
Soubiroux, was op 11 februari 1858 aan die grot op zoek naar
sprokkelhout. Op een bepaald moment werd ze tot twee maal toe
opgeschrikt door een plotse windvlaag. Toen ze opnieuw opkeek, dacht ze
in de opening van de grot een meisje te zien, niet groter dan haarzelf. Dat
meisje was levendig, jong en omgeven door licht.
Volgens de getuigenis van Bernadette zelf was die verschijning hemels
mooi. Ze droeg een wit kleed en een witte sluier die haar hoofd bedekte
en langs haar schouders en armen tot op haar voeten reikte. De gordel
van haar kleed was blauw. De verschijning van die jonge vrouw trok
Bernadette onweerstaanbaar aan. Op het einde maakte die verschijning
een kruisteken met een rozenkrans alsof ze het aan Bernadette wou
aanleren. Tussen 11 februari en 16 juli 1858 is deze vrouw achttien keer
aan Bernadette verschenen. Bij de zestiende verschijning op 25 maart
1858 vroeg Bernadette aan die wondermooie dame wie ze eigenlijk was,
waarop die in het dialect van de streek tegen haar zei ‘Que soy era
Immaculada Councepciou’, wat wil zeggen ‘Ik ben de Onbevlekte
Ontvangenis’ of diegene die van bij haar eigen conceptie zonder erfzonde
is.
Die dame was Maria. Als moeder van God kon ze niet anders dan zonder
(erf)zonde zijn. Maria zou na 25 maart 1858 nog tweemaal verschijnen. Er
was toen al een politiemacht op de been om de orde te handhaven en de
massa mensen die reeds aanwezig was in goede banen te leiden. De grot
zelf werd preventief met planken afgeschermd, maar dat deerde
Bernadette niet. Lourdes is daarna uitgegroeid tot één van de grootste
bedevaartsoorden die aan Maria toegewijd zijn en is sindsdien een teken
van hoop voor velen die zich openstellen voor de bemiddeling van Maria.
Dat overkwam o.a. John Traynor uit Liverpool. Hij was tijdens de Eerste
Wereldoorlog soldaat in de Royal Navy. In 1915 werd hij getroffen door
vijandelijk vuur. Zijn rechterarm was daardoor verlamd en hij leed aan
epileptische aanvallen. Pogingen om hem te behandelen, brachten niets
op. In tegendeel, zijn benen werden eveneens gedeeltelijk verlamd. Hij
werd door de dokters in Liverpool als ongeneselijk ziek verklaard en hij
leefde verder van een klein oorlogspensioen.
Maar soldaat Traynor was ook een diepgelovig man. Toen in 1923 de
eerste bedevaart vanuit het aartsbisdom Liverpool naar Lourdes
georganiseerd werd, sloot Traynor zich aan. Nadat hij verschillende keren
ondergedompeld was in de baden van het bedevaartsoord gebeurde wat
niemand voor mogelijk hield: John Traynor genas op een spectaculaire,
niet verklaarbare wijze van al zijn kwalen. Deze wonderbaarlijke genezing
is nu pas, in december 2024, officieel door het Vaticaan erkend geworden
als het 71 ste mirakel dat in Lourdes heeft plaatsgevonden.
Dichter bij huis, in het huidige Oostakker bij Gent, liet markiezin de
Courte-Bourne in 1873 op haar domein een Mariabeeld aanbrengen in een
nis omgeven door rotsstenen. Bij de inwijding van dat beeld waren reeds
tweeduizend mensen aanwezig. Al vlug groeide de plaats uit tot een
gebedsplaats. Zo kwam op 7 april 1875 Pieter De Rudder vanuit het West-
Vlaamse Jabbeke naar Oostakker op bedevaart. Al acht jaar was Pieter
getekend door een dubbele beenbreuk die bleef etteren. Hij was
werkonbekwaam, maar hij had geweigerd om zijn been te laten afzetten.
Hij stelde nog steeds zijn hoop op gebed. Daar aan de Maria-grot zonk hij
na een tweede rondgang met zijn krukken, op zijn knieën neer. Toen zijn
vrouw hem toeriep wat hij toch aan het doen was, stond hij recht en zette
zonder krukken enkele stappen. Hij verwijderde het verband en zijn been
was volledig gaaf en gezond.
Om daarna de toeloop van bedevaarders op te vangen, stelde de
markiezin in 1875 voor om een kapel te bouwen. Maar de toenmalige
bisschop van Gent, Mgr. Bracq, zei toen: ‘Neen,mevrouw, hier is geen
kapel nodig, maar een kerk.’ Die kerk werd ingezegend in 1877 en in 1924
verheven tot basiliek. In de volksmond noemt men de bedevaartsplaats in
Oostakker eveneens Lourdes.
Wat gebeurde er toch allemaal in Lourdes en in Oostakker? Zijn de
natuurwetten daar echt overschreden geworden of niet? Is Maria daar
daadwerkelijk verschenen aan Bernadette? We weten het niet en we
kunnen het ook niet bewijzen. Wat we wel weten is dat zowel Pieter De
Rudder in 1875 als John Traynor in 1923 naar het bedevaartsoord gegaan
zijn met een diep geloof in de bemiddeling van Maria. De medische
wetenschap kon op dat moment voor hen niets meer doen en toch zijn ze
op bedevaart gegaan en zijn hun toenmalige verwondingen spontaan
genezen.
Vanuit ons rationeel verstand stellen we ons daar veel vragen over. Hoe
verder de medische wetenschap vordert en ons verklaringen en
oplossingen biedt, hoe minder men misschien nog over mirakels zal
spreken. Maar vanuit onze intuïtie en spirituele intelligentie voelen we dat
er toen in Lourdes en Oostakker iets gebeurd is dat ons wellicht minder
vertelt over het louter medische aspect, maar dat ons doet begrijpen wat
de kracht van het geloof met een mens kan doen. We begrijpen dan ook
waarom zoveel mensen op bedevaart gaan en door hun geloof nog steeds
zoveel hoop en sterkte putten ook al is voor sommigen, naar menselijke
en medische normen, hun situatie dikwijls uitzichtloos.
Marc Van Kerchove
Frontartikel week 5
Maria Lichtmis
Kerstmis en Pasen waren in het leven van Maria twee heel grote vreugdes, de geboorte van Jezus en zijn verrijzenis. Tussen die twee hoogdagen lagen zeker nog veel andere dagen van geluk. Een daarvan was de opdracht van Jezus in de tempel, wat wij vieren op Maria Lichtmis.
Maria Lichtmis komt op de veertigste dag na Kerstmis. In de meest donkere week van het jaar hebben wij Jezus ontvangen als een licht. In februari is het licht in de natuur al duidelijk teruggekeerd, nog niet ten volle terug maar toch flink op weg. Ons heil echter komt niet van de natuur, het komt van God die mens geworden is, van God wiens licht voor de mensen is gaan schijnen. Maria Lichtmis is de laatste naklank van Kerstmis.
Dag van dankbaarheid
Deze veertigste dag kan voor ons minstens een driedubbele betekenis hebben. Jozef en Maria brachten hun kind naar de tempel, het huis van de hemelse Vader. De Wet van het Oude Testament schreef voor elk eerstgeboren kind aan de Heer op te dragen. Jozef en Maria behoorden in het Joodse volk tot een groep van vromen die in alles trouw wilden zijn aan wat de Wet vroeg. De tocht naar de tempel in Jeruzalem was voor hen een vanzelfsprekende gehoorzaamheid.
Deze gehoorzaamheid was vol van dankbaarheid. De diepe zin van het gebod van het Oude Testament was de erkenning: alle leven komt van God, van Hem wordt het ontvangen. Nooit is een kind zo van God geweest als Jezus. Maar van alle kinderen, ook van onszelf, kan gezegd worden dat wij een gave zijn die van God komt. Zo kan deze dag ook voor ons een dag van dankbaarheid zijn voor onze ouders. Langs hen hebben wij van God het leven ontvangen.
Vraag om zegen
Het leven is een grote gave maar tegelijk een grote opgave. Bij elke geboorte rijst toch meteen de vraag: “Wat zal er worden van dit kind?” “Wat zal het leven brengen voor dit kind?” Het is de vraag die zo pijnlijk bij ons opkomt bij het zien van de verschrikkelijke beelden van de kinderen in Gaza, - als ze de bombardementen al overleven. Hoe moeten deze kinderen en nog zoveel anderen in Afrika groot worden in de gewelddadige wereld?
In de tempel droegen Maria en Jozef hun kind op aan God. Voor het offer van twee jonge duiven vertrouwde Hij het weer aan hen toe. Zullen zij dan niet gevraagd hebben om Gods zegen voor alles wat zij moesten doen om hun zoon groot te brengen? Deze vraag om zegen is de vraag van ouders in alle tijden: “Moge Gods zegen op onze kinderen rusten, mogen zij groeien en bloeien, mogen zij dienstbaar worden en op hun beurt een zegen zijn voor anderen.” In de meeste van onze parochies wordt daarom een kinderzegening gehouden met de ouders die in het voorbije jaar een kindje lieten dopen.
Vervuld van hoop
De dankbare gehoorzaamheid van Jozef en Maria schiep voor Jezus de eerste ontmoeting met zijn volk. In Simeon en Hanna komt het hem tegemoet. De orthodoxe christenen noemen dit feest daarom de ‘Heilige Ontmoeting’. Simeon en Hanna zijn bejaard en dragen heel de verwachting van het volk in zich, het eeuwenoude verlangen naar God en naar verlossing. In dit kind zien zij de vervulling waarop zij hun leven lang hebben gewacht.
Zij hebben het kind alleen nog maar gezien. Zij weten nog niets van de woorden die hij zal spreken en nog niets van de werken die hij zal doen. Maar dit kleine kind is hun voldoende en vervult hen van geluk. Dit kind is de Verlosser die God hen heeft beloofd en bereid! De ontmoeting verzoende Simeon met de dood. Vol overgave kan hij dan ook zeggen: “Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan.” Het zijn de woorden die Bach inspireerden tot zijn beroemde cantate ‘Ich habe genug’.
Wij, mensen, zijn vaak zo ongelukkig om wat we missen of niet hebben gekregen. Van Simeon en Hanna kunnen wij leren. Ik moet niet alles gekregen hebben om gelukkig te zijn. Ik kan ook iets missen want het belangrijkste heb ik wel gekregen. Ik mag geloven in het grotere dat nog moet komen en dat God mij bereidt. Dit kleine, dit wat ik nu al gekregen heb, belooft een vervulling, die nog verborgen is maar die mij is toegezegd en waarop ik mag hopen.
Het jubeljaar, dat met Kerstmis begonnen is, kreeg als thema ‘Pelgrims van hoop’. Simeon en Hanna zijn mooie voorbeelden ervan.
Jos Verstraeten
Frontartikel week 4
Schrijf daar eens een gedicht over!
Wie leest of schrijft er nu nog gedichten? We kunnen de vraag stellen, maar je zou er versteld van staan. Volgende week is het de ‘Week van de Poëzie’. Het thema van de poëzieweek is dit jaar ‘Lijfelijkheid’. Dat heeft iets met ons lichaam, ons lijf te maken, met wat we voelen en ervaren, met schoonheid en met verval. In gedichten kan men daar straffe dingen over zeggen.
Poëzie doet ons verwonderen, glimlachen en soms een traan wegpinken. Het is iets dat ons onderscheidt van de dieren. Het gebrul van een leeuw mag dan oorverdovend luid klinken, het is geen poëzie. Het zoemen van een mug of het gezang van een vogel evenmin. Veel variatie of verrassingen zitten daar nooit in. De vroegere Leuvense professor Droste noemde de mens dan ook een ‘taaldier’ omdat de mens zich door zijn taal van alle andere levende wezens onderscheidt.
De taal maakt ons echter zo uniek dat we er geregeld mee in de knoop zitten. We kunnen met onze taal naar alles verwijzen, naar wat we zien, horen en voelen. Maar we kunnen er ook mee liegen en dat doet geen enkel dier ons na. We kunnen er hele verhalen mee vertellen. We kunnen die verhalen soms zo verpakken dat het fake news wordt. In het beste geval spreken we dan over fictie zoals in een roman of een film.
We kunnen dat met onze taal allemaal doen omdat er in de taal mechanismen zitten waarmee we aan de werkelijkheid kunnen ontsnappen. Als mens ervaren we bijvoorbeeld aan den lijve dat alles eindig is. In de natuur sterft alles af en na verloop van tijd sterft iedere mens. Maar met onze taal kunnen we dat begrip ‘eindig’ ook ontkennen. ‘Eindig’ wordt dan ‘oneindig’. Kunnen we die ‘oneindigheid’ als mens ervaren? Nooit, maar we kunnen er wel over spreken. Dat is vreemd!
De stap naar religie is vlug gemaakt. Ook daarin speelt de taal een uitermate belangrijke rol. Via onze taal kunnen we nadenken over wat er buiten onszelf en buiten het gekende heelal wel zou kunnen zijn. Met ons aangeboren taalvermogen hebben we de mogelijkheid om ons af te vragen wat er buiten ons, na ons en vóór ons allemaal was, is en nog zal komen! Dat maakt het er niet altijd eenvoudiger op.
Zoals we kunnen nadenken en spreken over ‘eindig’ en ‘oneindig’, zo kunnen we ook spreken over ‘natuurlijk’ tegenover ‘bovennatuurlijk’. Dat bovennatuurlijke verwijst dan naar alles buiten onze eigen werkelijkheid, naar alles wat we finaal niet kunnen verklaren. Voor dat bovennatuurlijke hebben we zelfs een geleerde term: het transcendente. Het is iets dat we niet kunnen zien, aanraken of zelfs maar begrijpen. Zo is het begrip ‘God’ een transcendente entiteit.
Het geloof en heel het bijbelse verhaal zijn gebaseerd op het samengaan van deze twee tegengestelde begrippen: enerzijds het ‘natuurlijke’, het ‘lijfelijke’ en anderzijds het ‘bovennatuurlijke’ of het ‘transcendente’. Alles wat we kunnen waarnemen en voelen, wat er hier en nu gebeurt tegenover wat niet tastbaar of voelbaar is, wat we met onze zintuigen niet kunnen waarnemen.
Hoe moeten wij ons als mens dan dat bovennatuurlijke of transcendente voorstellen? In het Oude Testament sprak men dikwijls over God als ‘de vader’. Hij kreeg dan ook de karaktertrekken van een strenge vaderfiguur zoals dat in de toenmalige patriarchale cultuur gewoon was. Hij stuurde de eerste mensen uit het paradijs. Hij kon meedogenloos zijn en de vijand in de zee doen verzwelgen. Hij beheerste de natuur en zond allerlei plagen over Egypte. Hij kon zijn volk beschermen, maar ook straffen.
Tweeduizend jaar geleden gebeurde er echter iets zeer bijzonder. Het bovennatuurlijke en het natuurlijke vloeiden in elkaar. Die almachtige transcendente God kwam op de aarde in de persoon van Jezus. Zoals we Jezus kennen uit het evangelie, was die de lijfelijkheid zelve. Hij groeide op in een gezin in Nazaret. Hij at en sliep zoals iedereen. Hij moest zelfs een extreme doodstrijd ondergaan aan het kruis. En toch was Jezus niet louter een lijfelijke mens. Een menselijke vader had hij niet en drie dagen na zijn dood was het graf waarin men hem had neergelegd, leeg.
Wat er vóór zijn geboorte als mens en na zijn dood gebeurd is, weten we niet met zekerheid. Er zijn daar bovennatuurlijke zaken gebeurd. We kunnen al dat bovennatuurlijke negeren, zelfs ontkennen en onze eigen lijfelijkheid als het eindpunt van alle leven beschouwen. Maar door dat lege graf is er wel een beweging op gang gekomen die in de morele voetsporen van Jezus wou treden en waarvan de aanhangers geloofden dat de zin en de uiteindelijke bestemming van de mens bij die transcendente God lag. Die beweging was het christendom.
Gedurende eeuwen heeft men geprobeerd om dat geloof concreet uit te drukken in taal, in muziek, in beeldbouwkunst, in architectuur, in ontmoetingen en in samen op stap gaan, als ‘Pelgrims van Hoop’! Probeer daarom tijdens de ‘Week van de Poëzie’, dat samengaan van de lijfelijkheid en het bovennatuurlijke maar eens in een gedicht te vatten. Want ook al begrijpen we niet alles, we kunnen er wel over spreken.
Leerkrachten die zich met hun leerlingen aangesproken voelen of individuele parochianen die de poëzie over dit thema een kans willen geven, mogen hun gedichten – wanneer ook – sturen naar redactiepb5@gmail.com. De meest treffende gedichten willen we graag later in Kerk en leven publiceren.
Marc Van Kerchove